banner Een tijd van ontkenning

De antichrist: Bijbel en beeldvorming

1. BEELDVORMING IN DE LOOP VAN DE EEUWEN
 
Soms groeit er een kloof tussen een Bijbels woord en de latere beeldvorming die aan dat woord wordt verbonden.
 
Zo vinden we in het Nieuwe Testament (alléén in 1 en 2 Johannes!) het woord antichristos. Aan dat woord (antichrist) is in de loop van de eeuwen een hele beeldvorming verbonden. Meestal horen daarbij in ieder geval de volgende elementen:
1. De Antichrist is een figuur die zal verschijnen in de eindtijd.
2. De Antichrist zal zich in Gods huis (in de kerk) als heerser presenteren.
3. Velen zullen de leugen van deze Antichrist geloven voordat het einde komt (de grote afval).
Geen wonder dat sommigen in de paus die vanuit Rome regeert of in de tsaar die vanuit Moskou de kerk aanstuurde de Antichrist zien of hebben herkend.
 
Bij het Bijbellezen kan zo’n beeldvorming ons behoorlijk parten spelen. We hebben dan in ons hoofd een min of meer duidelijke voorstelling van `DE antichrist’ en we zoeken vervolgens in de bijbel op wat over hem wordt gezegd.
Toch lees je de bijbel dan zoals een spookrijder tegen het verkeer inrijdt. Het beeld van `DE antichrist’ bestond nog niet toen Johannes schreef. Wij moeten niet vanuit dat latere beeld terugrijden naar de bijbel, maar we moeten starten bij Johannes zelf en vanuit die richting onze weg zoeken naar de latere beeldvorming. Voorlopig moeten wij dan ook onze latere voorstellingen over `DE antichrist’ even terzijde laten. Om rustig te luisteren naar wat Johannes eigenlijk wilde zeggen met dat opvallende woord dat hijzelf heeft gevormd: antichristos. Weliswaar gebruikt hij dan een woord (antichristos) dat op de klank af overeenkomt met de naam van `DE antichrist’ die men in de kerkgeschiedenis is gaan verwachten, maar dit betekent nog niet dat Johannes ook hetzelfde bedoelde als wat wij ons later zijn gaan voorstellen. Onze latere beeldvorming kan een eigen leven zijn gaan leiden en zich hebben verwijderd van het woord dat Johannes gebruikte.
 

2. JOHANNES OVER DE ANTICHRIST(EN); PAULUS OVER DE WETTELOZE MENS
 
Wie alleen de brieven van Johannes leest over de antichristos, zal niet snel uitkomen bij de latere beeldvorming over de Antichrist. Die beeldvorming is namelijk ontstaan via een optelsom van twee uiteenlopende Bijbelgedeelten. Men verbindt dan Johannes’ uitspraken over de antichristos met wat Paulus in 2 Tessalonicenzen 2 schrijft over `de wetteloze mens’. Dus: 1 Johannes + 2 Tessalonicenzen 2 = Het kerkhistorische beeld van DE antichrist!
 
Maar is die optelsom wel terecht? Anders gezegd: gaan die twee Bijbelgedeelten wel over hetzelfde? Zo min als je appels en peren kunt optellen, kun je Bijbelgedeelten bij elkaar optellen wanneer ze over verschillende onderwerpen gaan.
 
Wanneer we nu de brieven van Johannes naast 2 Tessalonicenzen 2 leggen, moet wel duidelijk zijn, dat de antichristos waarover Johannes schrijft niet dezelfde is als de wetteloze mens waar Paulus voor waarschuwt.
 
1. De antichristos zelf is de grote leugenaar, de satan, een geestelijke macht. Hij is niet een mens en dus ook niet de `wetteloze mens’.
 
2. De antichristos inspireert zijn aanhangers (antichristen): dit zijn de dwaalleraars die uit de gemeente zijn weggegaan. Zij ontkennen dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Hun inzet is de persoon van Jezus Christus.
De `wetteloze mens’ echter inspireert medemensen om niet met God te rekenen en om te doen alsof de mensen zelf goden zijn, eigen heer en meester. Hier is de inzet de persoon van de Almachtige God, de Schepper van alle mensen.
Natuurlijk leidt de ontkenning van de Zoon ook tot miskenning van de Vader. En natuurlijk leidt de negatie van God ook tot ontkenning van de Zoon. Maar er is wel degelijk verschil tussen beide aanvallen op de Drie-enige God. Vrijzinnigheid en atheïsme presenteren zich niet op dezelfde manier.
 
3. Johannes schrijft in verband met de antichristos helemaal niet over de tempel van God. Paulus legt juist wél verband tussen de wetteloze mens en de overmeestering van die tempel.
 
4. Maar is er toch niet een tegenargument? Zo luidt een vraag:
 
U hebt uitdrukkelijk gezegd dat de 'wetteloze mens, die alles wat goddelijk en heilig is zal bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf' (2 Tes. 2,3-4)  niet dezelfde is als de Antichrist uit de Johannesbrieven. Maar het is opvallend dat in beide gevallen de Antichrist als grote misleidende geestelijke macht er nog niet was.
De vraagsteller gaat er van uit dat zowel Johannes als Paulus schrijven over een toekomstige figuur. Maar dit is niet het geval. Wanneer Johannes schrijft dat `de antichrist zal komen’ (2,18) wijst hij terug naar wat de lezers gehoord hadden:  `U hebt gehoord dat de antichrist zal komen’. Inmiddels is deze antichrist in de wereld (1 Joh.4,3): `Dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld’! Juist de verschijning van vele dwaalleraars in de wereld bewijst dat de antichrist verschenen is (2 Joh.7).
Het is niet zo vreemd dat in de eerste evangelieprediking de komst van de antichristelijke geest nog als toekomstig wordt aangeduid. In zijn rol als bestrijder van de Christus, de Zoon van God, kan de satan niet vooroplopen. Hij komt ná dat evangelie pas in de buurt. Zoals de leugen achter de waarheid aan komt en deze altijd voor moet laten gaan. De apostelen waarschuwen de eerste bekeerlingen daarom bij voorbaat ervoor: direct ná hun komst zal de antichrist komen. En in zijn latere brief kan Johannes constateren dat dit dus inmiddels ook al is gebeurd in de gemeenten waaraan hij schrijft.
Hier zien we nu dus een vierde verschil tussen Johannes’ brieven en 2 Tessalonicenzen 2. De aangekondigde antichrist (de satan) is al volop werkzaam in zijn menselijke instrumenten (de antichristen, de dwaalleraars, de valse profeten). `De wetteloze mens’ die onheil over `de tempel van God’ zal brengen is echter tijdens het schrijven van 2 Tessalonicenzen nog een figuur die zal verschijnen en die op dat moment nog wordt tegengehouden.
 

3. CONCLUSIE
 
De beeldvorming over `DE antichrist’ als een menselijke machthebber die de kerk van God van binnenuit zal misleiden, kan niet gebaseerd worden op wat de apostel Johannes bedoelt met het woord antichristos.
Zelfs indien iemand (ten onrechte) van mening zou zijn dat 2 Tessalonicenzen 2 op zichzelf al genoeg aanleiding zou geven tot het verwachten van een toekomstige afvallige heerser in de kerk, dan moet daaraan in ieder geval niet de johanneïsche benaming antichrist verbonden worden, want dat is verwarrend en bevordert een onjuiste beeldvorming.
 
 

Afdrukken