banner Een tijd van ontkenning

Antichristen uit ons midden: over de Islam en het niet-christelijk Israël

1. ANTICHRISTEN IN DE GEMEENTEN WAARAAN JOHANNES SCHRIJFT
 
Aan welke mensen moeten we denken wanneer Johannes zegt dat antichristen uit ons midden zijn uitgegaan omdat ze niet uit ons waren?
 
Zou de apostel Johannes bij 'veel antichristen' in 1 Joh. 2,18 niet in het bijzonder gedacht hebben aan de uitdrukkelijk 'Jezus Christus als Zoon van God'-verwerpende Joden'? Dezelfde apostel schrijft nl. in Op. 2,9b en 3,9 over 'leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen'.
De twee teksten uit Openbaring (2,9b en 3,9) spreken wel over Joden, maar niet over mensen die de gemeente van Christus hebben verlaten. Het gaat hier over onbekeerde Joden die de gemeente vanuit de synagoge bestrijden.
De Here zal enkelen van hen tot bekering leiden en juist toevoegen aan de gemeente. De situatie is dus eigenlijk omgekeerd aan die in de eerste brief van Johannes. Wél zien we ook hier de duidelijke samenhang tussen de satan en de ontkenning van Jezus als de Messias.
Afgezien van Openbaring 2 en 3 blijft het natuurlijk wel heel goed mogelijk dat de antichristen in 1 Johannes 2 allereerst van huis uit Joden waren. We weten ook uit de brief aan de Hebreeën dat Joden die Jezus Christus leerden belijden, in latere tijd toch weer dreigden terug te keren tot hun Joodse volksgenoten die ontkenden dat Jezus de Messias is. Wanneer we ons proberen in te leven in hun situatie, in hun lijden binnen eigen volk, kunnen we ook wel begrijpen dat er een verleiding was voor Joodse christenen om de armoede van Christus op te geven en terug te keren tot hun Joodse verleden zonder Jezus.
Waren zij die de gemeenten verlieten waaraan Johannes schrijft dus toch wel Joden? Dat weten we niet zeker. Het is ook goed mogelijk dat bekeerde heidenen terugkeerden tot hun afgoden en de godheid van Jezus toch weer gingen ontkennen. Afval van het geloof en ontkenning van de waarheid kwam voor bij eerst de Jood, maar ook de Griek!
 

2. DE ISLAM ALS ANTICHRISTELIJKE MACHT
 
Wij weten dat de profeet Mohammed bekend was met het christelijk geloof. Zijn leer komt niet voort uit onbekendheid, maar is een nadrukkelijke en opzettelijke ontkenning van het evangelie. Daardoor is de islam niet op één lijn te stellen met andere religies zoals Buddhisme of Hindoeïsme of Confucianisme. De islam is in de wortel een antichristelijke macht en dat wil zij ook zijn.
Is het dan toch juist om, zoals vroeger vaak gebeurde, Mohammed te zien als DE antichrist die zou komen? Dit is niet juist omdat de antichrist een geestelijke macht is, de satan. Wel is het juist om te zeggen dat de islam behoort tot de (antichristelijke) groeperingen die uit ons midden zijn voortgekomen maar die niet bij ons hoorden.
 
U zei dat de islam Jezus niet accepteert als Gods Zoon, en dat er derhalve een verharding binnen die godsdienst heeft plaatsgevonden. U sprak dus een oordeel uit over een godsdienst.
Mijn vraag is: welke uitspraak zou u over de joodse godsdienst doen met betrekking tot dit punt waarop zij dezelfde houding aanneemt?
Wanneer het gaat over de bewuste en ook vijandige afwijzing van de waarheid van Messias Jezus, staan de niet-christelijke Joden even antichristelijk tegenover de gemeente als de islamieten. In de staat Israël mag het evangelie niet verbreid worden!
Dit neemt niet weg dat er historisch gezien grote verschillen zijn tussen Ismaël en Izak, tussen de islamitische volken en het volk van de belofte. Die verschillen nemen echter niet weg dat de apostel Paulus begonnen is met het evangelie te prediken in Jeruzalem en dat hij kort daarna allereerst naar Arabia is gegaan, naar Ismaël. Abrahams God zoekt beide kinderen van Abraham, al moesten ze een verschillende weg gaan onder uiteenlopende beloften.
Messiaanse Joden en Arabische christenen verdienen dan ook onze extra voorbede en steun.
Een korte illustratie daarbij vormt de volgende vraag:
 
Gisteravond, maar ook op de Arabische conferentie, die ik het afgelopen weekend mocht meemaken, waar broeder dr. Ghassan Khalaf (docent in Libanon en pastor) vertelde n.a.v. de vraag over het lijden van christenen (bekeerlingen), hoe God hen bemoedigt letterlijk door wonderen en visueel door visioenen.
Er is inderdaad in deze decennia een eigen geschiedenis van dromen en visioenen waardoor juist Arabische christenen die de steun van familie en volksgenoten moeten missen, worden bemoedigd.
 

3. NIET ONTVANGEN IN HUIS
 
De apostel Johannes verbiedt de christenen om op voet van gelijkheid de valse profeten te ontvangen. De huizen van de christenen waren meteen ook de plaatsen van samenkomst (kerkgebouwen waren er nog niet): in die huizen is geen plaats meer voor de antichristen die zijn uitgegaan uit de gemeenten. Men moet hen ook niet groeten. Dit slaat niet op het burgerlijke groeten dat wij kennen in onze omgang met medemensen, maar het slaat op communiceren met bestrijders van het evangelie alsof er geen antithese zou zijn.
 
Hierbij verzoek ik u nog eens uit te leggen wat met 2Joh.1, 10-11 wordt bedoeld.
Ik kan het niet goed rijmen met onze zendingsopdracht. Of met wat sommigen noemen: het gastvrij kerk zijn.
Vermoedelijk komen we bij deze vraag in de praktijk uit bij een heel ander onderwerp: het onderscheid tussen onze houding als christenen in de samenleving enerzijds en het functioneren van de kerk als gebouwd op het fundament van apostelen en profeten anderzijds. Sommigen noemen dit de kerk als organisme en de kerk als instituut. Verwarrend is dat hier twee keer het woord `kerk’ wordt gebruikt, maar het onderscheid is verder toch wel nuttig. De kerk van Christus als peiler van de waarheid is er niet om gastvrij soep uit te delen in deze wereld. Christenen, die zijn opgevoed in waarheid en liefde binnen de kerk, kunnen het echter wel heel terecht als hun taak zien om (al of niet samen met niet-christelijke medemensen) gastvrije maaltijden aan te richten voor wie dat nodig hebben. Naastenliefde is echter niet bedoeld als goodwill-offensief voor evangelisatie. Het evangelie blijft een oproep tot bekering. Deze oproep mag natuurlijk niet gehinderd worden doordat christenen zelfzuchtig en liefdeloos zouden zijn, maar het evangelie zelf is en blijft een oproep tot terugkeer en gehoorzaamheid aan onze Schepper. Het evangelie behoeft geen reclame, het is een noodzakelijke reddingsboei voor wie anders verloren gaan. Daarom wordt het gepredikt met bevel van geloof en bekering. Zoals we belijden in Dordtse Leerregels hoofdstuk 2 paragraaf 5:
De belofte van het evangelie is nu, dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Aan alle volken en mensen tot wie God naar zijn welbehagen het evangelie zendt, moet zonder onderscheid deze belofte openlijk verkondigd worden met het bevel zich te bekeren en te geloven.
 

4. ZENDING ONDER JODEN EN ISLAMIETEN?
 
Omdat de deuren van het niet-christelijke Jodendom en de Islam aan de binnenzijde vergrendeld zijn voor het evangelie, is in het verleden vaak de vraag aan de orde gesteld of zending onder Joden en islamieten nog wel mogelijk is. Ik herinnerde aan die discussie, die in ieder geval een rechtmatige is, hoe het antwoord ook uitvalt. Naar aanleiding daarvan werden vragen gesteld over concrete missionaire projecten van zending in islamitische landen of in islamitische stadswijken.
Het is mij onmogelijk, daar antwoord op te geven zonder meer te weten van die diverse projecten.
In het algemeen zien we in Handelingen dat het volgen van de Geest in de verbreiding van het evangelie ook steeds de vraag oproept of we open deuren krijgen of niet. In het laatste geval gaan apostelen niet bonzen op die deuren: ze schudden het stof van hun voeten en gaan naar een volgend gebied. Het is aan God om te bepalen tot wie en wanneer Hij het evangelie zendt.

Afdrukken