Barnabas een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

Bijbelstudie over Bijbelboek hebreeen

Werkte de Geest ook in het Oude Verbond? (mee n.a.v. Johannes 7,39)

Vraag

Hoe zit het met de werking van de Heilige Geest voor de   individuele gelovige in het OT?

ANTWOORD  

1. Vaak maakt men wat het werk van de Heilige Geest betreft een veel te grote tegenstelling tussen OT en NT. Dat de Geest bijzonder werkte door de profeten, is wel duidelijk: dat is de openbarende werking van de Geest. Dat aartsvaders een bijzondere zalving hadden met de Geest is ook duidelijk, want de HERE had hen apart gezet en tot zijn eigendom gezalfd (Psalm 105,15): dat is de roepende werking van de Geest. Maar ook wanneer het OT spreekt over wat de HERE doet in zijn gelovige kinderen en hoe Hij met hen omgaat, dan is daar ook (niet zo vaak apart genoemd) het werk van de Geest van God. De HERE gaf aan de Israëlieten in de woestijn zijn goede Geest en zo verkregen ze inzicht (Nehemia 9,20). En in psalm 143,10 vinden we de bede: `Laat uw goede Geest mij leiden over geëffende grond'. In Jesaja 63,9-10 horen we hoe Israël de Geest heeft gekrenkt, terwijl God hen toch optilde en droeg, al die jaren door! Dit is de dragende werking van de Geest.

2. Waarom wordt er dan in het NT veel vaker gesproken over de Geest? A. Omdat de Geest nu geschonken wordt aan Jezus Christus om die uit te storten in de harten van de zijnen: de Geest van God werkt nu als de Geest van de Zoon: dat is een verandering van bedeling, want de Zoon is ook de Verzoener! B. Omdat dankzij het werk van de Zoon de werking van de Geest intenser en uitgebreider wordt. Intenser omdat Hij van binnenuit in de harten werkt en ons leert bidden en ook zelf bidt tot de Vader (Romeinen 8,26-30). En uitgebreider omdat God de Vader door de Zoon nu de armen van zijn Geest ook om de heidenen heenslaat die tot geloof in zijn Messias komen.

3. In Johannes 7,37-39 betekenen de woorden `de Geest was er namelijk nog niet' dan ook niet dat de Geest niet werkte of niet bestond, maar dat de Geest nog moest beginnen met dat bijzondere werk in de gelovigen door het werk van Jezus Christus (aangeduid in vers 37-38). Hij wachtte daarmee tot het moment dat Jezus tot Gods majesteit zou zijn verheven! Kort gezegd: niet het werk van de Geest in Gods kinderen is nieuw, maar het werk van Christus dat Hij nu bedient en uitdeelt. Wij mogen – Christus zij de eer! - nu wereldwijd worden ondergedompeld in die Geest die altijd reeds werkzaam was bij ons en in ons midden en in ons.

 

Afdrukken