Maria van Betanië een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

Liefde zonder Middelaar (Lucas 15)?

Vraag

In de gelijkenis van de verloren zoon ontbreekt het zoenoffer: de terugkerende zoon wordt zonder meer en in liefde aanvaard. Is bij zulke liefde een verzoenend offer wel nodig?

ANTWOORD

Er zijn mensen die het lijden en sterven van Jezus beschouwen als alleen een voorbeeld voor ons. Een voorbeeld van zelfopofferende liefde. Een aansporing ook tot onvoorwaardelijke aanvaarding van medemensen omdat God liefde is. De gedachte aan een verzoenend sterven waarin mensen moeten leren geloven, zou dan een latere theologische ontwikkeling zijn. Liever zouden we aan de hand van Lucas 15 moeten spreken over de `onvoorwaardelijke’ of zelfs de `verkwistende liefde van de Vader’.

In het algemeen geeft men tegenwoordig vaak de voorkeur aan het evangelie naar Lucas, omdat daarin de liefde voor armen extra aandacht zou krijgen en omdat daarin niet zoveel zou zijn te vinden over de noodzaak tot verzoening.

Iedere bijbellezer kan deze stelling gemakkelijk toetsen door het evangelie naar Lucas als geheel te lezen en al die gedeelten aan te strepen waar het gaat over de noodzaak van Jezus’ sterven en over de Schriften die dit al voorzeggen. 

Een veel gebruikt voorbeeld voor wat men graag `onvoorwaardelijke liefde’ noemt, is dan deze gelijkenis van de verloren zoon. Zien we hier niet een vader die genoegen neemt met de terugkeer van de zoon zonder dat daar offers aan te pas komen? Is deze gelijkenis niet een voorbeeld van `verkwistende liefde’? De gelijkenis spoort dan aan tot die onvoorwaardelijke liefde. We moeten leren dat God altijd al van ons en van alle mensen houdt, hoe dan ook.

NB `Onvoorwaardelijke liefde’ is een heel andere term dan de oudere en misschien nog wel bekende uitdrukking `grondeloze liefde’!

Nu heeft de Heiland deze gelijkenis gesproken in de concrete situatie van Johannes de Doper die het volk had opgeroepen tot bekering en schuldbelijdenis. Tollenaars en zondaars gaven gehoor aan die oproep en daarom volgden zij ook de Meester die na Johannes kwam (Lc.7,29-30; 15,1-2). Zij zijn te vergelijken met de jongste zoon die leerde zeggen: `Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen U, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden’ (Lc.15,18-19.21). Ook de vader erkent dat deze jongen een tijd lang `dood’ en `verloren’ is geweest (Lc.15,23). De oudste zoon (de Farizeeën en wetgeleerden) zouden zich moeten verheugen over deze terugkeer van tollenaars en zondaars. De gelijkenis kan niet losgemaakt worden van deze geschiedenis waarin ze als indringende illustratie een plaats heeft. Dat is de geschiedenis van doden die levend worden, van afkerigen die naar Jezus gaan luisteren en die van Hem te horen krijgen dat Hij voor hen in liefde gaat lijden en sterven. Juist Lucas heeft al voor hoofdstuk 15 laten zien dat Jezus vastberaden naar Jeruzalem ging reizen om van de aarde te worden weggenomen (Lc.9,51) en hij heeft opgetekend hoe Jezus allen die naar Hem luisterden opriep om Hem te belijden (Lc.12,8-12) en om waakzame mensen zijn tot de terugkeer van de Heer (Lc.12,35-40). De gelijkenis gaat over het boze oog van wie Christus’ liefde miskennen en haar misgunnen aan anderen. Ook de blijde vrouw en haar vriendinnen in 15,8-10 kunnen we niet typeren als `verkwistend’. Kortom: wij moeten naar de gelijkenis van Lucas 15 luisteren met dezelfde oren die de door Johannes gedoopte en door Jezus onderwezen tollenaars en zondaars hadden op het moment van Lucas 15. Wie deze gelijkenis uit Lucas knipt, houdt te weinig over!

 

Afdrukken