De doop als poort naar de kerk en de term `geloofsdoop’

Vraag

Volgt op het geloof de doop, omdat de doop de poort naar de kerk is? Is de term geloofsdoop niet misleidend, omdat het prestatie van het geloof suggereert, en minder de genade van het geloof?

ANTWOORD

Wanneer heidenen in geloof het evangelie over Jezus Christus aanvaarden, laten zij zich dopen om te bewijzen dat zij werkelijk bij deze Heiland willen behoren. En zij worden gedoopt om te bevestigen dat deze Heiland werkelijk de gelovigen aanneemt.

Ik zou de doop niet de poort naar de kerk noemen: het geloof maakt ons leden van Christus en zijn gemeente en de doop is daarbij een teken. Ook wanneer dit teken niet meer op tijd kan worden toegediend in dit leven, blijft de werkelijkheid dat de gelovige lid is van Christus en van zijn gemeente. Dat is ook de troost over de jonggestorven kindertjes (Dordtse Leerregels 1,17). Het meest bekende doopsformulier zegt dat `wij en onze kinderen in Christus geheiligd zijn en dat daarom ook onze kinderen als leden van zijn gemeente gedoopt moeten worden, als teken van het verbond dat God met ons en onze kinderen heeft gesloten’ (Eerste vraag aan de ouders). De kinderen van de gelovigen zijn dus volgens het doopformulier leden van Christus en zijn gemeente en daarom behoren zij gedoopt te worden: het is dus niet zo dat zij lid worden van de gemeente van Christus door de doop. Het is wel zo dat de doop dit `registreert’ en dit feit zichtbaar bevestigt in de plaatselijke gemeente waartoe ouders en hun kinderen behoren.

De term `geloofsdoop’ kan – als elke term – misverstaan worden. De waarde ervan vind ik echter – mits goed gebruikt – dat daardoor wordt aangegeven dat elke doop met geloof heeft te maken (dus niet alleen de doop van volwassenen). Zo is ook de kinderdoop een geloofsdoop: de ouders belijden hun geloof en beloven hun kinderen in dat geloof op te voeden. Er is geen kinderdoop zonder geloofsbelijdenis. Dit is niet alleen belangrijk tegenover hen die de term `geloofsdoop’ tegenover kinderdoop zetten, maar ook tegenover de volkskerk waar ook kinderen van ongelovigen gedoopt worden. De gedachte daarbij is dan dat God van alle kinderen houdt, zodat geloof van ouders niet per se vereist is. Nu is het gelukkig waar dat er een grote en voortdurende liefde van God uitgaat naar alle mensen als zijn eigen schepselen, ook naar alle kinderen in het bijzonder (Jona 4,11). Maar de doop is niet het zegel bij deze algemene zorgende en zoekende liefde. Zij is het zegel bij de verlossende en reinigende liefde van Christus voor zondaren, die Gods algemene liefde als Schepper juist negeerden en voorbijliepen. En daarom ontvangen kinderen die doop niet als lieve, kleine kinderen, maar als kinderen van zondaren waarvan de ouders hun zonde tegenover hun Schepper leerden belijden in het aangezicht van Christus’ liefde en door de inwerking van de Heilige Geest. Door dit geloof van hun ouders heiligt de HERE kleine kinderen in zijn verbond met de gelovigen en hun nageslacht.

Zie ook 02.2 Geloof en (kinder)doop/geloofsdoop

Afdrukken