Skip to main content

Titus een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

GODS WET VOOR ALLE MENSEN

  Bijbelstudie 2 van 3 over het vierde blokje: De volken en het evangelie

Deze Bijbelstudie wordt in de audioles uitgewerkt. Het is daarom goed mogelijk het beluisteren daarvan te combineren met deze Bijbelstudie. Om dit in gedeelten te kunnen doen, is de audioles in drie blokjes van 20 minuten opgedeeld. In de Bijbelstudie wordt aangegeven wanneer een nieuw audioblokje begint. (Via het menu Audiocursus is deze audioles als geheel of ook in drie afzonderlijke blokjes te downloaden).

A. Terug naar Gods goede wet voor de mens
B. Wet en genade staan niet tegenover elkaar
C. Goede werken voor alle mensen

 

 

Beluister hier audioles 1

1. BETEKENIS EN KLEUR VAN HET WOORD `WET’

1.1 (Hoe onmisbaar zijn wetten!) Zonder wetten en regels zou we vogelvrij zijn en slachtoffers van chaos en terreur! Het is onjuist, aan het woord `wet’ een negatieve kleur te geven. Wie laatdunkend praat over `wet’ en `regels’ (bij voorkeur met minachting `regeltjes’ genoemd) geniet waarschijnlijk de luxe, in een goed verzorgde en geregelde omgeving te mogen leven.

1.2 (Hoe goed is Gods wet!) Menselijke wetten of regels zijn niet per definitie goed. Wanneer het echter onze goede God is die wetten geeft, zijn het altijd goede wetten! Voor iedereen of voor sommigen, voor een tijd of voorgoed. Hij weet wat bij ons past!

1.3 (De wet: onderwijs op maat) In de bijbel is `wet’ (Hebreeuws Thora; Grieks nomos) meestal de aanduiding van Gods openbaring in de eerste vijf boeken van het OT en soms ook van het hele OT. Het Hebreeuwse woord Thora betekent: `onderwijzing’. Deze `wet’ is een onderwijzing over Gods daden en zijn beloften en zijn opdrachten (die bij elkaar horen als één geheel). De Joodse geschiedschrijver Josefus vergelijkt de nomos van Israëls God met de nomoi die wijze mannen aan hun volken hebben gegeven. Het komt niet bij hem op dat `wet’ iets negatiefs zou zijn.

1.4 (De wet van God reist mee met zijn werk) Gods `wet’ is `wetgeving’. Ze reist mee met de mens na de zondeval en na de zondvloed. Gods wetgeving krijgt een speciale uitwerking voor de periode na de uittocht uit Egypte: dan wordt Israël een volk met territorium en burgerrechten enz. De wet van God krijgt dan de vorm van een Burgerlijk Wetboek van Israël, zijn eigendomsvolk. Maar ook dan nog altijd ook een Leerboek voor de volken (zie Josefus).

 

2. TERUG NAAR GODS WET VOOR DE MENS

2.1   (Het apostelbesluit) Toen de heilige Geest na Pinksteren steeds vaker werd uitgestort op onbesneden heidenen, hebben de apostelen en oudsten in Jeruzalem de conclusie getrokken dat deze nieuwe christenen uit de volken geen lid (meer) hoefden te worden van het aardse volk Israël: ze hoefden zich dus ook niet te laten besnijden. Maar gelijktijdig werd ook uitgesproken dat de tot Christus geroepen heidenen wel verplicht bleven om te breken met de afgodendienst en om heilig te leven. Zie Handelingen 15 (dat ook ter sprake kwam in de Bijbelstudie over Barnabas onder 2.2).

2.2 (Niet onder Mozes) De christenen uit de heidenen werden niet gebracht onder het juk van Mozes (het woord juk is niet negatief, het geeft aan dat je ergens voor aangespannen wordt, in dit geval het volk Israël). De christenen uit de volken kwamen niet (zoals Paulus het vaak noemt) `onder de wet’. Deze uitdrukking wordt vaak verkeerd beluisterd. Alsof Paulus wilde zeggen dat christenen uit de heidenen met geen wet meer hebben te maken. Dit is echter niet de bedoeling van deze uitdrukking.

In de brieven van Paulus kijkt de apostel vanuit het perspectief van de heidenen naar het volk Israël. Heidenen zagen de Joden als een volk `onder de wet’ (het meest bekend waren sabbat en spijswetten). Niet-Joden leven niet onder die wet van de Joden: die leven onder andere wetten, niet onder DE wet. En dat is nu ook het geval met de christenen uit de volken. Zij worden geen Joden, houden geen spijswetten e.d. De zegswijze dat wij `niet onder de wet zijn’ betekent dus helemaal niet dat we met geen wet of regel te maken zouden hebben. Het betekent alleen dat we geen proselieten worden van het Joodse volk. Onder DIE wet leven we niet. Het Burgerlijk Wetboek van Israël is dus niet ons Burgerlijk Wetboek.

Heel concreet was dit tot het jaar 70 zichtbaar in de tempel. Heidenen die tot geloof in Christus kwamen, bleven uitgesloten van de toegang tot de binnenste voorhof van de tempel, terwijl christenen uit de Joden daar wel mochten komen. Joodse christenen vielen als besnedenen onder de wet (nl. van Israël) en heidense christenen niet.

2.3 (Terug naar de wet van de Schepper) Achter Mozes zien we Noach en Adam: die waren niet zonder wet. Ze waren geroepen tot geloof in de ene God, tot gehoorzaamheid aan zijn opdrachten. Die wetten voor alle mensen zijn nooit herroepen. Ze zijn via Abraham bij Mozes toegespitst op een natie binnen Israël. Die toespitsing geldt niet meer voor christenen uit de heidenen, maar zij blijven wel geroepen tot de gehoorzaamheid aan de Schepper als in het paradijs en tot de heiliging die na de zondeval een opdracht werd. Om te leven als Enos, Henoch, Melchisedek of Abraham, de rechtvaardigen uit de tijd voor Mozes.

 

Beluister hier audioles 2

3. WET EN GENADE STAAN NIET TEGENOVER ELKAAR

3.1 (Terug naar Gods wet: wat een genade!) Christus leidt ons naar de volmaaktheid die Gods wet van mensen vraagt en die past bij kinderen van Adam en die bereikt wordt in het hemelrijk (verg. de Bergrede, zie Bijbelstudie Nicodemus). Er is bij Christus geen verlossing van wet, maar van zonde. De genade leidt terug naar het Vaderhuis! Genade was reeds de grondtoon van de wet en de profeten en de vervulling ervan is nu in Jezus Christus en zijn geboden.

3.2 (Paulus’ brieven aan de Romeinen en aan de Galaten) Er zijn maar twee brieven in het Nieuwe Testament waar de vonken lijken over te springen tussen de woorden wet en genade. Dat zijn de brieven Romeinen en Galaten. Jammer genoeg leven alle andere brieven van Paulus sinds de Reformatie een beetje in de schaduw van deze beide. Ten onrechte. Want deze twee brieven zijn wat uitzonderlijk. De inhoud hangt samen met heel speciale situaties en fronten. Bij volledige lectuur van deze twee brieven kan dat over de hele linie blijken. Onder invloed van die bijzondere situaties gebruikt Paulus soms scherpe tegenstellingen, die gemakkelijk kunnen worden misverstaan.

3.3 (Wet in Galaten) Onder invloed van de terugtrekkende beweging van Joodse christenen, zouden christenen uit de heidenen ertoe gebracht kunnen worden, zich te laten besnijden: dat zou voor hun Joodse broeders gemakkelijker zijn omdat ze dan niet meer verdacht werden van contact met vijandige ongelovigen (zie breder Bijbelstudie Jakobus onder 1). Paulus begrijpt het grote gevaar: het christendom wordt dan een variant binnen het Jodendom. Maar hoe zou dat kunnen? Het Sanhedrin heeft Jezus juist geëxcommuniceerd. Men heeft Hem buiten de wet geplaatst en gedood wegens `godslastering’. Hoe zouden dan zijn volgelingen binnen Israël dat kruis en die vervolging kunnen ontlopen? Paulus is juist `door de wet voor de wet gestorven, opdat hij voor God zou leven: ik ben met Christus gekruisigd!’ (Gal.2,19-20).

Het gaat dan in deze brief steeds over de Mozaïsche wet als burgerlijk wetboek van het aardse Jeruzalem: in deze vorm was Gods wet een `onder bewaring of voogdij houden van zijn volk voor een bepaalde tijd’ (Gal.3,17-25; 4,1-7). In deze brief staat Gods genade niet tegenover Gods wet, maar wel tegenover de bijzondere nationale vorm die deze wet bij Mozes had gekregen. En dat niet in het algemeen (deze brief had ten tijde van het Oude Testament zo niet geschreven kunnen zijn), maar in de concrete situatie die is ontstaan door de komst van Messias Jezus en de uitstorting van de Geest. Wie daarin deelt en dan alsnog Jood gaat worden, gaat terug in de tijd en gaat in de schoolbank zitten terwijl het examen al voor je is afgelegd. En dat is na de uitstorting van de Geest een miskenning van Christus’ zijn werk. Daardoor zouden de christenen uit de heidenen die het burgerrecht van het hemelse Jeruzalem kregen, burgers worden van het aardse Jeruzalem, dat nu juist Jezus heeft gekruisigd (Gal.4,21-31).

NB: We moeten ons goed realiseren dat er een groot verschil is tussen Joodse christenen die van huis uit tot Israël behoorden (en daar steeds meer vervolgd werden) en christenen uit de heidenen die na Pinksteren nog zouden toetreden tot Israël (om te voorkomen dat hun joods-christelijke broeders om hen vervolgd zouden worden).

3.4 (Wet in Romeinen) De christenen in Rome hadden niet te maken met een conflictsituatie zoals de christelijke Kelten (Galaten). Zij leefden in Rome tussen stad en synagoge. De gemeente in Rome was min of meer naast de synagoge gegroeid: de definitieve confrontatie met de synagoge komt pas wanneer Paulus zelf in Rome arriveert (Hand.28). De christenen in Rome moesten duidelijkheid krijgen over hun nieuwe identiteit. Ze wisten dat ze moesten breken met de afgoden en ze geloofden in Christus. Maar hoe kun je bij de God van Israël horen via een Heiland buiten die wet?

 Paulus behandelt die vraag historisch. De Sinaï-wet is goed, maar de geschiedenis van Israël bewijst dat men die wet niet hield en dat de wet zijn doel (heiliging van een volk) door de zonde van Israël niet kon bereiken (verg. de rede van Stefanus in Hand.7). Christenen mogen nu geleid worden door de Geest van Christus die hen zal volmaken: het geloof in de gekruisigde Messias wordt niet een mislukt project! De toegang tot het hemels heiligdom is nu open (Rom.5,1-2). Eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (Rom.1,16-17).           

3.5 (Samenvatting) In de brief aan de Galaten gaat het over de manier waarop christenen uit de heidenen moeten samenleven met christenen uit de Joden.

In de brief aan de Romeinen gaat het over de houding van christenen uit de heidenen tegenover de achtergebleven ongelovige Joden.

 Geen van beide brieven geeft aanleiding om de woorden genade of evangelie te zien in tegenstelling tot wet in het algemeen.

 

Beluister hier audioles 3

4. GOEDE WERKEN VOOR ALLE MENSEN

4.1 (Goede werken) In de loop van de kerkgeschiedenis heeft de uitdrukking `goede werken’ helaas een bijklank gekregen. Ten onrechte. Wie de brief aan Titus leest, ziet hoe de christenen op Kreta (afkomstig uit de heidenen) allereerst worden aangespoord tot goede werken, waarvan Titus ook zelf een voorbeeld moet zijn. De uitdrukking `goede werken’ is niet specifiek voor de Joden: ook de heidenen weten te onderscheiden tussen mensen die kwaad doen en burgers die goede werken doen in familie en samenleving. Christenen moeten er op uit zijn gewaardeerde medemensen te zijn (zie Filip.4,8). Omdat de wetten van Mozes een nationale toespitsing bieden van Gods wetten voor de mens, valt er uit de Schriften veel te leren voor een vroom en menslievend leven (2 Tim.3,16-17: de Schriften rusten toe tot goede werken!).

De hele bijbel (geschiedenis en wetten) is onze voedingsbron om wijs te worden. De bijbel is geen juridisch wetboek om elkaar te beoordelen of om aan de letter te ontsnappen. De Schriften zijn een bron om uit te putten. Psalm 119 leert ons een leeshouding: `Leer mij de weg van uw regels begrijpen, en ik zal uw wonderen overdenken’ (119,27). Goede werken groeien wanneer de wortels van de gelovige uit de bodem van de geboden het water opzuigen: `Gelukkig de mens die vreugde vindt in de wet van de HERE en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht. Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet, komt tot bloei’ (Psalm 1).

NB: niet de Joden maar de heidenen moesten leren dat hun goede werken bij God geen verdienste zijn (dit was juist anders bij de afgoden, waar men met goede werken de goden gunstig probeerde te stemmen). Zie Titus 3,5-8 (gericht tot christenen uit de heidenen) over de manier waarop goede werken niet (3,5) en wel betekenis hadden en hebben (3,8).

4.2 (Gods wet is verborgen aanwezig) Gods wet is in de mensheid vaak onderdrukte kennis. Men weet dat God bestaat (zie Bijbelstudie Dionysius): daarom is er zo’n behoefte om het ongeloof te versterken met spot en vloeken, met verwijten aan God en met zelfrechtvaardiging. Bij de verdrongen Godskennis hoort ook besef van norm en wet, van straf en vergelding: bij heftige misdaden tegen de mensheid komt het normbesef en de behoefte aan rechtmatige vergelding bij vrijwel iedereen naar boven, zelfs de roep om de doodstraf ontwaakt dan weer! De ontkenning van een norm boven de mens en van de vergelding van menselijk kwaad zien we echter in het ontwijken van de taal van de dood (zie Rom.1,32).
Zoals de realiteit van Gods bestaan toch vaak door de ontkenning heen schijnt en mensen dwingt tot verwondering en extase, zo is ook het grondwater van Gods wet nog wel degelijk aanwezig in de samenleving. Ook de belastingontduiker begrijpt de aanklagende functie van het woord fraude. Het geweten is als regel niet totaal dicht te schroeien. Tegen deze achtergrond kunnen heidenen worden opgeroepen en teruggeroepen tot eerbaarheid, eerlijkheid, trouw en tot elk goed werk.

Christenen krijgen niet de opdracht om een geweten te ontwikkelen (dat heeft de mens): hun taak is om te leven met een zuiver geweten! Zie 1 Tim.1,19 (`geloof en een zuiver geweten’); 3,9 (`vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten’); Heb.13,18 (`ons geweten is zuiver, omdat we er op elk terrein naar streven het goede te doen’); 1 Pe.3,16 (`houd uw geweten zuiver’); 3,21 (`de doop is een vraag aan God om een zuiver geweten’).

Het geweten is NIET autonoom (`ik heb mijn eigen geweten en handel daarnaar’), MAAR genormeerd (`laat je geweten zuiver zijn, voldoen aan de maatstaf’). Met een zuiver geweten leven we bewust en vrijwillig steeds in het licht van Gods wet.

4.3 (Het evangelie is gezonde lucht: de wet geneest) `Gezonde leer’: een vaste uitdrukking onder herders van de gemeente (1 Tim.1,10; 2 Tim.4,3; Tit.1,9; 2,1) voor de `heilzame woorden van onze Heer Jezus Christus’ (1 Tim.6,3; verg. 2 Tim.1,13; Tit.2,8). Gezonde lucht inademen maakt gezond! (Tit.1,13; 2,2). Gezondheid blijkt in de goede werken van een vernieuwd leven (1 Tim.1,10 `De wet is er voor alles wat indruist tegen de gezonde leer’).

4.4 (Gekleed in goede werken) Gods wijsheid is ons niet gegeven om te oordelen over anderen, maar om ons zelf te kleden in goede werken en anderen daarbij te helpen. Zie Openbaring 19,7-9: `Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven! Want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen. Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen’.