Bijbelstudie over Bijbelboek hebreeen

3. Vooruit kijken

HET LAND EN DE STAD VAN DE TOEKOMST
 
 
3.1 Vooruitzien naar het beloofde land (Heb 3,7-19 leesles over Psalm 95);
3.2 Vooruitzien naar het beloofde land (Heb 4,1-11 leesles 2 over Psalm 95);
3.3 Vooruitzien naar de stad van de toekomst (Heb 13,13-14)
 
Op de uitkijk staan hoort bij de houding van elke christen. Onze geloofsogen zien omhoog én kijken vooruit. Dit benoemen van twee kijkrichtingen is betrekkelijk: het is in feite één kijkrichting. De hemelse stad verwachten we uit de hemelse wereld waarheen Jezus is voorgegaan.
 
3.1 Vooruitzien naar het beloofde land (Heb 3,7-19 leesles over Psalm 95).
 
Verband: nieuw in Heb 3-4 is de vergelijking van de gelovigen met het Israël uit Mozes’ tijd. De uittochtgeneratie onder leiding van Mozes is type van de christelijke gemeente onder leiding van Jezus. Na de vergelijking van de Zoon met de engelen (Heb 1-2) kan de vergelijking met Mozes niet uitblijven. Is Gods Zoon als Gods laatste sprekende gezant verheven boven de engelen? Dan vragen Joodse christenen hoe de grootheid van de Zoon van God zich verhoudt tot die van Mozes: die was toch altijd Gods meest gezaghebbende spreekbuis? Vandaar de vergelijking in 3,1-6 tussen Mozes en Jezus. ‘De trouwe hogepriester’ (thema van 2,17) komt uit de verf door de trouw van de knecht Mozes en de Zoon Jezus te vergelijken. Het portret van Mozes, de middelaar van de oude tijd, is meteen ook het portret van Jezus, de Middelaar van de nieuwe tijd. De tweede Mozes!
 
Het geheel: De tweede vermaning in de brief (3,1-4,16) cirkelt om de sleutelwoorden ‘trouw’ (pistis) en ‘ongeloof’ (apistia). De gemeente (Jezus’ huis; 3,6) en de Israëlieten in de woestijn (Mozes’ huis) bevinden zich in een vergelijkbare situatie. Beiden hebben de stem van de leider gehoord. De Hebreeën lopen gevaar de sprekende Jezus af te wijzen en hun hart te verharden, zoals de Israëlieten hun hart verhardden toen de stem van leider Mozes klonk.
Indeling van deze leesles: het citaat van Psalm 95,7b-11 in 3,7-11; de waarschuwing daarin (3,12-19) en de belofte daarin (4,1-11).
 
Psalm 95. In 1-7a spreken mensen: gelovigen wekken elkaar op om God te vereren; in 7b-11 spreekt God: Hij roept de feestgangers op te luisteren naar zijn woord en hun hart niet te verharden zoals hun voorouders hebben gedaan. Wat is de samenhang tussen die beide delen? Zowel intocht in de tempel als intocht in het beloofde land is zonder gehoorzaamheid onmogelijk. De woestijngeneratie kreeg te maken met een eed van uitsluiting uit de beloofde rust. Laten de feestgangers zich beproeven of ze Gods stem gehoorzaam beantwoorden of niet.
De Hebreeën zijn met deze sabbatspsalm vertrouwd. Je hoort in de psalm de echo’s van Numeri 14. Heeft de auteur twee boekrollen open op zijn schrijftafel liggen (Numeri; Psalmen)?
 
Heb 3,7-11
Opvallend is de uitspraak in 3,7: de heilige Geest zegt. Niet: hééft gezegd, maar: zégt (tegenwoordige tijd). Wat heb je in aanvechtingen aan zo’n psalm van duizend jaar oud? Dat is voor de schrijver geen punt: de heilige Geest heeft duizend jaar geleden iemand die woorden in de mond gegeven. En die woorden klinken vandaag nog…Inmiddels zijn we weer 2000 jaar verder!
 
We stippen in Psalm 95 een aantal kernwoorden aan:
3,8 Halsstarrig/koppig: de houding van je hart afsluiten voor Gods stem.
De psalm vat alles samen wat zich in Israëls woestijntijd aan recalcitrantie van Israël heeft voorgedaan. De dag van de uitdaging: nadruk op de weigering van Israël om het beloofde land in te trekken na de rapportage van de verkenners. De situatie van de aangevochten christenen wordt daarmee vergeleken: het kritieke moment om Gods spreken in zijn Zoon in geloof te volgen is aangebroken.
 
3,9 volg het voorbeeld van de voorouders niet. Op de proef stellen, tarten. Uitdagend optreden: Gods geloofwaardigheid uitproberen. Kan Hij zijn belofte waarmaken? Wantrouwen is onterecht gezien Gods wonderen van redding.
 
3,10 Veertig jaar lang getuige van Gods daden. De huidige generatie christenen heeft ook wonderen meegemaakt (2,4). Laat dit voorbeeld zich niet herhalen.
 
3,11 God zwoer de eed van uitsluiting. Je kunt op het beslissende moment de intocht in Gods rust verspelen. Het sleutelwoord ‘rust’ vat alle beloofde zegeningen samen: gelukkig leven in het goede land. Gods eed van destijds betekent een waarschuwing voor de gemeente van vandaag: wacht u voor de zonde van Kades-Barnea!
 
3,12-19 uitleg van de kernwoorden in de psalm: hart, vandaag, rust.
12 waarschuwing; 13-14 appel; 15-18 vijf vragen; 19 conclusie.
 
3,12 Toezicht, waakzaamheid nodig. Hartbewaking in verband met hartkwaal. Een enkeling kan hele gemeenschap tot wantrouwen brengen (verkenners). Ongeloof: de weigering God op zijn woord te geloven. Afvallig worden: overlopen. De levende God: Hij laat niet met zich spotten. Oproep tot zelfonderzoek: laat zo’n kwaadwillig, ongelovig hart bij de gemeente niet gevonden worden.
 
3,13 Appel: wees elkaars hartbewakers. Alle gemeenteleden verantwoordelijk voor elkaar. Elke dag is een dag van beslissing omdat het spreken van Gods Zoon elke dag te horen is.
 
3,14 Deelgenoten van Christus: de verbinding met de Heer schept verplichtingen. Uitgangspositie vasthouden. Niet deserteren, maar geloven.
 
3,15 Opnieuw wordt de preektekst aangehaald om de volgende stap in de uitleg te zetten. Dit gaat toch niet weer gebeuren: wel horen, toch verharden?
 
3,16-18 vijf indringende vraagzinnen die de lezers uitdagen tot instemmende reactie. Wie waren het dan die ….? Waren dat niet degenen die …..?
Wie werden 40 jaar door Gods woede getroffen? Waren dat niet….?
 
3,19 Conclusie: ongeloof is de oorzaak dat de woestijngeneratie haar bestemming is misgelopen.
 
Het citaat van Psalm 95 ademt ernst. Hoofdstuk 11 geeft bemoedigende voorbeelden van geloofsgetuigen. Hoofdstuk 3 biedt een waarschuwend voorbeeld. Bij Kades-Barnea kreeg Israël de kans het beloofde land binnen te gaan. Maar ze lieten na de rapportage van de verkenners de beslissende dag voorbijgaan uit gebrek aan vertrouwen in Gods macht om zijn belofte te vervullen. Laat de geschiedenis zich niet herhalen. Zo’n dag van beslissing komt opnieuw: de christelijke gemeente staat op het punt de nieuwe wereld binnen te gaan. Maak ernst met Gods waarschuwing in Psalm 95. Zie er op toe dat geen medegelovige afvallig wordt. Bemoedig elkaar zodat je samen de eindstreep haalt.
Goed lezen van deze psalm leert dat er ook een belofte in ligt. Daarover in het tweede blokje.
 
3.2 Vervolg les in het lezen van Psalm 95 (Heb.4,1-11)
 
In hoofdstuk 4 krijgt de les in het goed lezen van Psalm 95 een vervolg. Er ligt ook een belofte in opgesloten: de rust is bereikbaar. Hoofdstuk 3,7-19 laat zich typeren als bemoedigende waarschuwing; 4,1-11 als waarschuwende bemoediging. De aansporingen 4,1 en 4,11 markeren 4,1-11 als één geheel; 4,1-2 is het uitgangspunt; 4,11 het einddoel; 4,3-10 ondersteunt de oproep. De auteur licht de beloofde rust toe vanuit een associatie van Psalm 95 met Genesis 2,2 terwijl ook Numeri 14 blijft meeklinken.
 
4,1 De belofte om Gods rust binnen te gaan staat nog open. De auteur doet bij de uitleg van psalm 95 een verrassende ontdekking: als God een eed zweert om óngehoorzamen uit te sluiten van de beloofde rust, houdt dit in dat géhoorzamen wel mogen binnengaan. God trekt zijn uitnodiging niet in. De hoorders hebben dezelfde kans om de rust binnen te gaan én lopen hetzelfde risico om die toegang te missen als Israël destijds. Deze stand van zaken (1a) brengt mee dat waakzaamheid en pastorale zorg urgent zijn.
 
4,2 Israëls woestijngeneratie en de christelijke gemeente bevinden zich in een identieke situatie: het goede nieuws is verkondigd. Maar ondanks die bevoorrechting bestaat het risico van uitsluiting uit de rust. Het is zaak de belofte ook in geloof te aanvaarden. Doordat de uittochtgeneratie dit niet deed, heeft ze de kans om het beloofde land binnen te gaan verspeeld.
 
4,3-5 Ingaan in de rust wordt alleen werkelijkheid voor wie Gods belofte wel in geloof aanvaarden. Dat de woestijngeneratie de rust niet binnenging, ligt niet aan het feit dat die rust niet beschikbaar zou zijn. Die is wel beschikbaar sinds God zijn scheppingswerk voltooide. De auteur haalt in 4,4 Genesis 2,2 aan. Het sleutelwoord ‘rust’ verbindt beide teksten. Zo verklaart hij de rust van Ps 95,11 vanuit Gods rust in Genesis 2,2. Die allereerste rust van God is het beginmodel voor alle latere ervaringen van rust. Het einddoel waarheen Gods gemeente op weg is, is dezelfde rust die God na de voltooiing van zijn scheppingswerk geniet en die Hij voor mensen gereed houdt. Hij geniet van de harmonie en viert de rust.
In 4,5 herhaalt de auteur Ps 95,11b als aansporing om in de eed toch Gods uitnodiging te beluisteren om in te gaan. De dreigende boodschap wordt een blijde boodschap.
 
4,6-7 De volgende stap is de combinatie met het trefwoord ‘vandaag’ in 7. Eerst maakt de auteur de balans op in 6 en noemt daarmee twee redenen voor de volgende stap in zijn betoog. 6a: God wacht op deelnemers, er kunnen mensen binnengaan; 6b: zij die eerder de uitnodiging om binnen te gaan hebben gehoord, hebben deze kans niet benut. De strekking is duidelijk: God beloofde zijn volk toegang tot de rust; deze rust is beschikbaar vanaf de zevende dag van de scheppingsweek; Gods belofte is niet herroepen, blijft dus openstaan; de woestijngeneratie is niet binnengegaan; de toegang blijft wel open voor anderen, voor hen die wel luisteren naar Gods stem.
De auteur switcht in 7 van Ps 95,11 naar Ps 95,7-8 en combineert de trefwoorden ‘rust’ en ‘vandaag’. De aandacht verplaatst zich naar de tijd waarin Psalm 95 werd geschreven. God spreekt ten tijde van David opnieuw van een ‘rust’ waarvoor ‘vandaag’ aandacht moet zijn. God stelt een toekomstige datum vast om de beloofde rust te geven. ‘Lange tijd later’: vier eeuwen na Numeri 14 kondigde God een nieuwe gelegenheid aan door David over ‘vandaag’ te laten spreken.
 
4,8 Als Jozua de beloofde rust had gebracht, was hernieuwing van de belofte in Ps 95 onnodig geweest. Dus was de rust in Kanaän geen volledige realisering van de beloofde rust, maar een voorafschaduwing van de complete rust, tevoren uitgebeeld in de rust van Genesis 2,2. Jozua, in het Grieks Jezus, is hier de rechterhand en opvolger van Mozes. Tegelijk klinkt er ook iets mee van Jezus als de tweede en grote Jozua!
De auteur zet een tijdslijn uit: Genesis 2 – Numeri 14 – Jozua – David in Psalm 95 – ‘vandaag’. De horizon van de belofte breidt zich steeds uit.
 
4,9 De vergelijking van Jozua’s tijd met het schrijven van Psalm 95 in Davids tijd leidt tot de conclusie dat er een tegoed is: de rust is nog onbezet. Dat staat ook in 6a, maar nu met een ander woord: sabbatismos, dat de nuance van sabbatsviering uitdrukt. Rusten als deelhebben aan Gods rusten is de sabbat vieren. In 9 overheerst de bemoediging: volhouden! God wacht op u om het eeuwige feest met u te vieren.
 
4,10 legt uit waarom de eeuwige rust een sabbatsviering zal zijn: door te rusten van bezigheden is er ruimte en tijd voor feestelijke lofprijzing. Vreugdevol genieten en de tijd hebben voor aanbidding.
 
4,11 De uitleg van Psalm 95,7-11 mondt uit in een klemmende oproep tot uiterste inspanning. God heeft zijn volk rust beloofd en die rustplaats bij God is nog altijd onbezet. Maar jullie gaan toch niet vlak voor de finish het doel missen? Laat het voorbeeld van ongehoorzaamheid bij Kades- Barnea geen navolging vinden!
De generatie van Jozua en de generatie van Jezus bevinden zich in dezelfde situatie; een trekkend volk, onderweg naar het doel. De schrijver vuurt als pastor de gemeente aan om vol te houden, om naar voren te leven.
In het vervolg wordt steeds duidelijker wat het binnengaan van Gods rust inhoudt: onderweg zijn naar de stad van de toekomst. Daarover blok 3.
 
3.3 Vooruitzien naar de stad van de toekomst (Heb 13,13-14)
We hebben hier geen blijvende stad: die uitdrukking in onze Nederlandse taal staat voor: het aardse is niet blijvend. We zijn hier niet op onze plaats, we zullen hier nooit thuis raken. Maar de auteur zegt niet: ‘we hebben hier geen blijvende plek’ maar: ‘geen blijvende stad’. Welke stad? Vers 12 verwijst naar het lijden van Jezus buiten de stadspoort van Jeruzalem. Gods Zoon werd eruit gezet. Als ter dood veroordeelde gevangene werd Hij afgevoerd naar Golgota, de executieplaats buiten Jeruzalem. Voor Jezus was Jeruzalem geen blijvende stad. Hij was daar niet langer welkom. Hij werd buiten de poort gekruisigd.
 
Dit gegeven doet de schrijver denken aan het ritueel van de grote Verzoendag in de woestijn (zie 5.2.1). De locatie van zijn lijden was buiten de poort. Sindsdien is het oriëntatiepunt van elke christen veranderd. Jeruzalem is niet langer het religieuze wereldcentrum. We hebben als christenen veel: we hebben een hogepriester in de hemel (4,14; 8,1; 10,21); we hebben een altaar (= de offerdood van Jezus; 13,10); we hebben het onwankelbaar koninkrijk (12,28).
 
Het enige dat we blijkbaar niet hebben is die blijvende stad. Die stad kwijtraken was realiteit voor de Hebreeën, die joods-christelijke gemeente van Jeruzalem die in toenemende mate onder druk kwam te staan van hun joodse stadgenoten. In de jaren tussen 62 (de dood van Jakobus) en 70 werden sommige messiasbelijdende joden gevangengezet, mishandeld, van bezit beroofd (10,32-34). Het zijn de jaren van de Joodse oorlog (66-70) waarbij Jeruzalem door de Romeinse legioenen zou worden ingenomen en de tempel platgebrand. Vlak voor of nog tijdens het beleg rond Jeruzalem zijn de christenen uit Jeruzalem vertrokken naar de stad Pella in de Dekapolis.
 
Tegen deze achtergrond lezen we de woorden ‘onze stad is immers niet blijvend’. De schrijver zinspeelt op de aanstaande verovering van Jeruzalem door de Romeinen en de tempelverwoesting. God maakt een eind aan het eeuwenoude apparaat van offers. Onze moederstad Jeruzalem blijft niet bestaan. Daarom moeten wij niet vasthouden aan een stad die geen toekomst heeft, maar vrijwillig afstand van haar nemen. Jeruzalem is geen blijvende stad.
 
Het is geen oproep om deze wereld achter ons te laten. Hoe zou dat trouwens kunnen? Wij kunnen niet uit de wereld vertrekken (1 Kor.5:10). Het is de oproep om het joodse kamp te verlaten en het oriëntatiepunt te blijven zoeken bij Jezus Christus, verlangend uitkijken naar de stad die komt. Zo luidt het vervolg van de oproep in 13,14. Waar kom je terecht als je de poort van het aardse Jeruzalem bent gepasseerd? Wat wordt dan je oriëntatiepunt? Geen blijvende stad hebben, dat raakt het aardse Jeruzalem. Wij zoeken de toekomstige stad, dat is het hemelse Jeruzalem.
 
Die toekomst is eerder in de brief al aangeduid. Hoofdstuk 11 somt een rij geloofsgetuigen op die ons zijn voorgegaan. Zoals aartsvader Abraham die gehoor gaf aan Gods roepstem en vol vertrouwen op weg ging naar de plek die voor hem en zijn nageslacht was bestemd. Hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou (11,8). Deze tentbewoner in het beloofde land zag uit naar de stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd (11,9-10). Die stad met fundamenten verwijst waarschijnlijk naar Psalm 87,1 waar Sion wordt bezongen als internationale wereldstad, stevig gefundeerd door niemand minder dan de HEER zelf. Een stad die door de Schepper zelf ontworpen en gebouwd is, moet het aardse Sion letterlijk en figuurlijk te boven gaan. Zo’n bouwproject vereist een nieuw wereldbestel, de funderingen van het nieuwe Jeruzalem.
In plaats van heimwee te hebben naar het vaderland waaruit ze weggetrokken waren, keken Abraham en de andere aartsvaders reikhalzend uit naar een beter vaderland, het hemelse (11,15-16). Een woonomgeving waarvan ze tijdens hun leven hooguit een glimp konden opvangen (11,13). Dat trekkend voorbeeld moet de Hebreeën helpen om op hun beurt de betekenis van het aardse Jeruzalem te relativeren. Alle gelovigen die met Abraham uitzien naar het hemelse vaderland in de verte, hebben immers dezelfde eindbestemming. Voor hen allen heeft God in de hemel een stad gereedgemaakt, een vaste woon- en verblijfplaats (11,16).
 
In hoofdstuk 12 onderwijst de schrijver de gemeente: u bent als gemeente heel dicht gekomen bij die stad van de toekomst, het hemelse Jeruzalem (12,22). U mag God immers naderen dankzij de middelaar van het nieuwe verbond, zijn Zoon Jezus Christus. Door het offer van zijn leven ligt het hemelse heiligdom voor je open en mag je via Jezus naderen tot God en zijn engelen. Dat nieuwtestamentische voorrecht schept wel een grote verantwoordelijkheid, meer nog dan toen het volk Israël bevend van angst bij de Sinai stond (12,18-20).
 
Kijk verlangend uit naar de stad die komt (13,14). Het werkwoord in de grondtekst betekent: intensief zoeken, intens verlangen. Waar moeten we de toekomstige stad zoeken? Niet hier, niet ergens in deze wereld, niet in het land Israël. De stad van de toekomst bevindt zich daar waar Jezus is. Hij die ons voorging om als hogepriester dienst te doen in het hemels heiligdom. De stad van de toekomst moet gezocht worden in de andere wereld. Het is de woonplaats van God en zijn engelen. Wij staan als christenen gelukkig wel in contact met die andere wereld. We kunnen het hemelse Jeruzalem benaderen. Via Hem die als Voortrekker voorop is gegaan, Gods Zoon Jezus. De brief wijst aan hoe je moet zoeken, waar we de stad van de toekomst kunnen vinden. “Laten we het kamp verlaten, ons bij Jezus voegen en delen in zijn vernedering” (13,13).
Jezus ging Jeruzalem uit om buiten de poort te lijden. De messias-belijdende joden gingen Hem achterna, ze konden niet langer in het joodse kamp blijven. Ze moesten hun heil elders zoeken. Het was niet gemakkelijk om tegen de druk van de joodse medeburgers in te gaan. Maar wie zich in geloof bij Jezus voegt, dient ook zijn smaad te dragen (als Mozes:11,26; en als Jezus:12,2). Dan kom je bij het kruis terecht. Jezus liet het aardse Jeruzalem achter zich en via de schandpaal van het kruis kwam Hij uiteindelijk in de stad terecht waar God woont. Onze route naar het hemelse Jeruzalem begint op Golgota. De stad van de toekomst bestaat al. Nu nog boven, waar Jezus Christus is. Eens komt ze ook beneden, hier op aarde. Blijvende woonplaats voor God en mensen samen. In het hemelse Jeruzalem hebben wij wel een blijvende stad. Openbaring 21 belooft dat de hemel neerdaalt op aarde: de nieuwe hemelaarde! Deze stad is het eeuwige koninkrijk van God.
Verlangend uitkijken naar deze stad: door te zoeken in de richting die Jezus uitging, via het kruis, zul je deze stad zeker vinden.
 
Nabeschouwing:
De brief aan de Hebreeën is samen te vatten in de oproep van 12,25: “let op dat u hem die spreekt niet afwijst”. God heeft gesproken in zijn Zoon (1,1-2a)!
Ik hoop dat deze drie lesavonden u helpen om deze unieke brief vol waarschuwende bemoediging en bemoedigende waarschuwing in uw reisbagage te hebben als christen onderweg. Spreek er met elkaar over in de kerkgemeenschap. U bent allemaal nu ambassadeur van de brief aan de Hebreeën!
 
Literatuur
In blok 3 over de stad heb ik veel onderwijs verwerkt van prof. Van Houwelingen in diverse publicaties van zijn hand:
P.H.R. van Houwelingen, ‘Vlucht naar voren: het vertrek van de christenen uit Jeruzalem naar Pella’, in: Theologia Reformata 45/4 (2002), 339-361 (inaugurele rede 2002);
P.H.R. van Houwelingen, ‘Wij hebben hier geen blijvende stad’. In: De Reformatie 79 (2003-2004), 49-52 (schooldagrede 2003);
P.H.R. van Houwelingen, Contouren van een nieuw Jeruzalem. Hebreeën en Openbaring over de eschatologische wereldstad. In: Kees van der Ziel en Henk Holwerda (red.), Het stralend teken. 60 jaar exegetische vergezichten van dr. D. Holwerda. Van Wijnen, Franeker 2010, 186-203;
P.H.R. van Houwelingen, De brief aan de Hebreeën. In: dr. P.H.R. van Houwelingen (red.), Apostelen. Dragers van een spraakmakend evangelie. Serie: Commentaar op het Nieuwe Testament. Derde Serie. Uitg. Kok, Kampen 2010, 126-137.
 
 

Afdrukken