3.1 De geschiedenis in genade aangenomen

De Bijbelstudie Heer was gewijd aan de namen Heer der heren en Zoon van David. Namen die onze Heiland laten zien als de Heer over de menselijke geschiedenis. Dankzij Hem is er toekomst: de geschiedenis wordt in genade aangenomen. 1. Dit betreft niet alleen de geschiedenis van de aarde, maar ook die van de hemel. 2. Deze toekomst van de wereldgeschiedenis wordt alleen bereikt door loutering en gericht. 3. In die toekomst zullen de schatten van deze tijd geheiligd worden binnengedragen: ons werk was niet ijdel in de Here!
 

1. EEN NIEUWE AARDE EN EEN NIEUWE HEMEL
 
Wanneer wij luisteren naar de namen van onze Heiland, luisteren wij naar namen die uit een hogere wereld komen. Zij dalen neer in onze mensenwereld en wij mogen ons daaraan optrekken. De brandende braambos, de dreunende Sinaï, de engel Gabriël: ze dwingen ons om bij de ladder van de namen die daar klinken, omhoog te kijken naar de hemelse gewesten. Wij zien die niet, maar we moeten ons die wel bewust zijn. Ook al verleiden onze ogen ons om ons juist af te sluiten voor alles wat niet gezien wordt door mensen. Niet voor niets vinden we in de bijbel vaak een gebed om geopende ogen en om een hart dat zich openstelt voor de Hogere!
Onze Heiland heeft als erenaam: Heer der heren. Hij is de Heer over alle machthebbers en dat ook in de hemelse gewesten. Allerlei voor ons onzichtbare machten en krachten en tronen en heerschappijen en engelen en geesten zijn aan Hem schatplichtig. Door onze Heiland zal er een vernieuwde schepping komen: niet alleen een nieuwe aarde, maar ook een vernieuwde hemel, waaruit alle boze machten voorgoed zijn verdwenen, geworpen in de poel van vuur.

Hoe moeten we ons dit voorstellen? De satan is reeds als een bliksem uit de hemel gevallen. De aanklager van de broederen is ten val gebracht (Op.12,10). Toch zijn er nog kwade machten in de hemelse gewesten. En de aanvallen van de satan op aarde, brengen toch ook nu nog spanning in de hemel (net als t.t.v. Job): zullen die gelovigen wel volharden?
Het is voor ons onmogelijk om veel te zeggen over de hemelen. Eén van de weinigen die in de derde hemel (tot in het paradijs) opgetrokken is geweest en onuitsprekelijke dingen hoorde, is de apostel Paulus, maar hij gaf er de voorkeur aan, daar verder het zwijgen toe te doen opdat wij tevreden zouden zijn met het geopenbaarde evangelie (2 Kor.12,2-7). We weten in ieder geval: 1. Dat Christus verheven is boven alle machten en krachten: er is een gebied bij God waar de satan geen toegang meer heeft en waar de kwade machten niet kunnen binnenkomen: een paradijs! 2. Dat er ook hemelse gewesten zijn, waar kwade machten die het op ons gemunt hebben, nog een grote rol spelen. 3. Dat dit gebied, evenals de aarde, gezuiverd zal worden en dat alle vijanden onder de voetbank van Christus zullen eindigen. We weten dus te weinig om veel te zeggen, maar genoeg om zowel moed te hebben als op onze hoede te zijn.

N.a.v. Ef 1,20,21: Het gaat daar over Christus die getriomfeerd heeft en een plaats gekregen heeft boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten ....
Gaat het in Ef 1 over menselijke of bovenmenselijke machten, krachten etc of misschien over beide??
Juist Ef.2,21 spreekt inderdaad niet alleen over de aardse machten, maar ook en zelfs allereerst over de `hemelse vorsten en heersers’ waarboven onze Heiland nu troont.

Kleine, bescheiden vraag daarbij: De engelen zullen toch met ons in hemelse heerlijkheid delen?? Eenvoudig gezegd: in de hemel zullen toch wel engelen zijn? Vlgs mij is iig Openb daar wel duidelijk over....
De oppermacht van onze Heiland over de aarde en de hemelse gewesten is gericht op loutering en behoud, niet op het opheffen of vernietigen van één van beide. Daarom zien we in Openbaring ook engelen blijvend de lof van het Lam zingen.
Het zal voor ons trouwens nog een hele ervaring zijn om engelen te ontmoeten die er altijd al waren en die ons steeds als onzichtbare dienaren gevolgd hebben en die als onze beschermengelen optraden. Hoe hebben zij al die tijd tegen ons aangekeken? In ieder geval gelukkig met de ogen van hun Meester.
 

2. GELOUTERDE GESCHIEDENIS
 
Als ik het goed heb begrepen zei u dat de geschiedenis van hemel en aarde niet wordt verbrand maar gezuiverd. Hoe moet ik dan Opb. 21:1, waar sprake is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, lezen/begrijpen?
In Openbaring 21,1 is duidelijk te lezen, dat er een ingrijpende overgang en verandering zal komen. `De eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij’! Dat moet goed tot ons doordringen: alle trots van duivelen en mensen gaat voorbij. Mensen denken dat zij onze aarde kunnen veiligstellen of dat zij het wel `zullen maken’. Maar deze eerste aarde sterft de dood: zoals al tegen Adam is gezegd in het paradijs. Het boek Prediker valt niet voor niets zo vaak in herhaling: ijdelheid der ijdelheden! Mensen vergeten dit gemakkelijk.
Tegelijkertijd is het hoopgevend dat deze ten ondergaande aarde en hemel worden voorzien van een telwoord: `de eerste’. Het is dus niet afgelopen met onze ondergang. Toch telt God gelukkig niet zomaar door naar een volgende hemel en aarde 2.0. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wel een hemel en een aarde: God laat zich zijn eigen schepping niet ontnemen. Maar het wordt een nieuwe en gelouterde wereld.
Dit onderscheidt zich van de twee werelden voor en na de zondvloed. Er is in het begin van onze geschiedenis al een hemel en een aarde geweest die zijn vergaan (door het water). Na die `toenmalige’ wereld kwam onze `tegenwoordige hemel en aarde’. Men noemt de wereld voor de zondvloed wel vaak `de eerste wereld’.  Dat kan: dan is onze huidige wereld `de tweede’. Maar dit doortellen komt ten einde: onze tegenwoordige wereld ligt te wachten op de verbranding door vuur (2 Petrus 3,5-7).
Na de huidige hemel en aarde (die je kunt verdelen in de `toenmalige’ voor de zondvloed en de `tegenwoordige’ na de zondvloed), komt straks een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Na Noach was de aarde niet nieuw. Bij Christus’ wederkomst is zij dat wel, evenals de hemel. Wat dit `nieuwe’ inhoudt, kunnen we slechts uit de verte aanduiden. In ieder geval is alle opstand tegen God en alle kwaad verwijderd. Nieuw is echter meer dan schoongemaakt. Nieuw is verrassend: dat zullen we gaan zien. Maar tegelijk is het wel een hemel en een aarde. Er komt niet iets heel anders, bijvoorbeeld een aantal ruimtewezens in een melkwegstelsel, zodat je de vergane hemel en aarde wel zou kunnen vergeten als achterhaald en voorbij en vergeten. Het nieuwe herinnert wel degelijk aan het oude, hoe dan ook. Het herinnert er niet alleen aan, het is er ook de genadige voltooiing van.
 

3. DE SCHATTEN VAN DE GESCHIEDENIS BLIJVEN BEWAARD
 
De geschiedenis van schepping en mensheid wordt door onze Heiland niet opgeheven, maar zij wordt gelouterd en in genade aangenomen. David en Salomo, Mozes en Elia, Andreas en Filippus en zoveel historische figuren: ze zullen er allemaal zijn dankzij Hem die zelf de zoon van David heet.
Ook zullen de schatten van de volken niet verloren gaan, maar worden binnengedragen in het Nieuw Jeruzalem. Juist daar! In Openbaring 18 lezen we dat die schatten van koningen en handelaars niet meer zullen kunnen worden afgeleverd in het goddeloze Babylon (Op.18,9-23). Het einde van deze antigoddelijke stad betekent echter niet het einde van de vele schatten op deze aarde. Goud en wierook, ivoor en dure houtsoorten worden niet vernietigd wanneer Babylon in vlammen opgaat. Gods schone schepping wordt bewaard. Dankzij Hem die ook het Woord heet, door wie alles geschapen is.
Niet alleen worden de schatten van de schepping bewaard, maar ook dat wat mensen daaruit maakten in de loop van de geschiedenis. Deze `kunstgeschiedenis’ en `techniek’ gaat niet verloren, al wordt zij wel gelouterd. In Openbaring 18 is ook sprake van (door mensen gemaakte) `voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer’ (Op.18,12). En er is sprake van stoffen die mensen maakten:  `purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen’. We lezen over `linnen, purperen en scharlakenrode kleren, gouden sieraden’ (Op.18,16). We horen over `de klank van lier en zang, bazuin en fluit’ (Op.18,22). Grondstoffen zijn in de geschiedenis door mensen bewerkt en klanken tot melodie gemaakt: er ontstonden werken van schoonheid en cultuur. En deze geschiedenis wordt in genade aangenomen: de schatten ervan mogen binnenkomen in het nieuw Jeruzalem. Muziek en kunst, zilversmeedkunst en goud verdwijnen niet uit het beeld: zij zullen in de Stad van de Toekomst pas goed tot hun recht komen. Dankzij Hem die ook als naam draagt `Heer der heren’ en `Koning der koningen’!

Is deze mooie gedachte ook terug te vinden in de bijbel zelf?
We vinden dit terug wanneer we van Openbaring 18 doorlezen naar Openbaring 21. Daar komen we de `koningen van de aarde’ opnieuw tegen. In Openbaring 18 stonden ze op grote afstand de val van Babylon gade te slaan, samen met de handelaars die hun goederen nu niet meer konden afleveren in het brandende en wegzinkende Babylon (Op.18,9-11). Deze koningen van de aarde zien we terug bij de neerdaling van het nieuwe Jeruzalem. Daar kunnen deze koningen wel veilig binnenkomen en daar brengen ze dan hun geschenken nu naar toe. Ze vullen de gouden straten van deze stad met hun meegenomen geschiedenis en cultuur en glorie. Zo lezen we in Openbaring 21,24-27 (HSV) het volgende:
En de naties die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer erin. En haar poorten zullen overdag nooit gesloten zijn, want daar zal geen nacht zijn. En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen. Al wat onrein is, zal er niet inkomen, en ook niemand die zich bezighoudt met gruwelen en leugens, maar alleen zij die geschreven zijn in het Boek des levens van het Lam.
We zien hoe de structuren van de geschiedenis niet zijn opgelost in het niets. Mensen zijn geen nummers geworden. Er zijn nog altijd koningen en naties. En zij brengen `hun heerlijkheid en eer’ in Jeruzalem.  Wat de eer is van koningen en naties (hun pronkstukken) is niet voorbij, maar het wordt binnengedragen.
Het is wel gelouterd: `onreine’ zaken komen niet binnen. Vandaag worden onder de noemer `cultuur en kunst’ goed en kwaad, mooi en vuil samengevat. Dat is straks voorbij: de heerlijkheid en de eer van koningen en naties zal in de toekomst alleen maar rein en heilig zijn. Ook negatieve figuren die meenden zich te moeten wijden aan leugen of gruwelen (afschuwelijke fictie in literatuur en beeldende kunst enz.) komen niet binnen in deze Nieuwstad van het Lam.
Er zijn in dit tekstgedeelte vier gegevens die ons duidelijk maken dat de gezuiverde cultuurschatten van koningen en naties binnenkomen in het nieuwe Jeruzalem en dat de geschiedenis ook op deze manier in genade wordt aangenomen.
1. Er staat dat koningen en naties hun heerlijkheid er eer brengen in deze stad. Er komt iets van buiten naar binnen.
2. Er staat dat zij hun heerlijkheid en eer brengen. Zij nemen dus iets mee dat van henzelf is.
3. Zij brengen heerlijkheid en eer: de heerlijkheid en eer van koningen en naties is hun weelde en rijkdom, hun glorie.  Zo lezen we ook in Matteüs 4,8 dat de satan aan Jezus `al de koninkrijken van de wereld’ laat zien `met hun heerlijkheid’! En in Matteüs 6,29 lezen we over `de heerlijkheid’ waarin Salomo gekleed ging.
4. Het zijn koningen en naties: hun verleden wordt daardoor aangeduid.
 
Over de inbreng van de volken in Jeruzalem lezen we ook al een profetie in Jesaja 45,14 (NBV):
Dit zegt de HEER:
De Egyptenaren met hun schatten,
de Nubiërs met hun rijkdom
en de rijzige Sabeeërs,
zij zullen komen en jullie toebehoren.
Ze komen in ketenen en volgen je,
ze buigen voor je en belijden:
‘Bij u alleen is een God,
er is geen andere god, niet één.’
 
Deze profetie vindt vervulling in de werkelijkheid die Openbaring 21 ons tekent. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV-2004) gebruikt, zal zich misschien even afvragen of dit wel echt zo is. In deze vertaling is dit niet zo goed te herkennen. We lezen daar namelijk dat de koningen `hun lof betuigen’ en het werkwoord `inbrengen’ is niet meer terug te vinden. De gedachte achter deze vrijere vertaling is dat de woorden `heerlijkheid en eer’ vaak gebruikt worden voor de liturgische lofzang op de Here. Dit is juist, maar in Openbaring 21,24-27 gaat het om `hun heerlijkheid en eer die zij binnenbrengen in de stad’. Een nauwkeurige vertaling laat zien dat deze verzen betrekking hebben op iets dat de koningen en de naties van zichzelf meenemen (`hun heerlijkheid en eer’). Wat zij van zichzelf meenemen, iedere koning en iedere natie apart, dat is hun `heerlijkheid en eer’. Met andere woorden: wat de koningen en de volken in Jeruzalem binnenbrengen, is hun eigen, historische glorie en eer. Hun prestatie als koning, hun nationaal product als natie.
Daarmee eren zij het Lam: daar loopt het inderdaad op uit. Maar zelfs uitleggers die hier alleen aan liturgische lof en eer denken, sluiten toch de meegebrachte geschenken niet uit: `Nu komen niet alleen de wijzen uit het Oosten met hun geschenken, maar koningen uit het oosten, noorden, zuiden en westen. De koningin van het zuiden is niet de enige die hulde brengt’ . Hoe zouden koningen en naties ook ooit met lege handen kunnen binnenkomen om te loven! Zeker wanneer zij nu eindelijk komen tot Hem die altijd al hun Heer was: de Heer der heren!
[K. Schilder schreef aan het begin van de vorige eeuw in de stijl van zijn tijd en op zijn manier over dit inbrengen van de schatten der volken in het Nieuwe Jeruzalem in zijn boek De Openbaring van Johannes en het sociale leven. Wie het wil nalezen:   http://www.dbnl.org/tekst/schi008open02_01/schi008open02_01_0017.php].
 

Afdrukken