0.2 Het aanroepen van Zijn namen

Het is ons vergund, de namen van onze God en van onze Heiland te noemen en te gebruiken en aan te roepen. Sterker nog: we mogen ze niet verzwijgen, maar moeten ze belijden voor alle mensen. Dit gebruik van de namen schakelt ons in. En het leidt ook tot verschillen tussen gelovigen en tot vragen over de juiste manier om de namen te gebruiken.
Voordat we op een paar van die vragen ingaan, is het goed om ons af te vragen hoe persoonlijk ons gebruik van Jezus’ namen is. Kun je daar wel iets over zeggen? Moet ieder hier niet zijn of haar eigen weg gaan?

Zouden we als christenen niet bereid moeten zijn van elkaar te leren i.p.v. andere manieren van geloofsbeleving en lofprijzing te bekritiseren (zoals polsbandjes, opwekking e.d.)? We mogen hierin toch verschillend zijn als we de Here er oprecht mee willen eren?
Deze vraagstelling geeft aanleiding tot een paar opmerkingen. 1. De oprechtheid van medegelovigen dienen we te respecteren en die moeten we ook niet zomaar in twijfel trekken. Christenen hebben door de eeuwen heen veel strijd gevoerd over liturgische zaken, vaak meer dan over de leer. Dat is ook wel begrijpelijk, want aan de liturgie van lied en gebed nemen we persoonlijk deel. Daar moeten we samenstemmen in woord en gevoel. Het is vaak de proef op onze onderlinge verhoudingen. Wanneer we elkaar hier niet vertrouwen of kwade bedoelingen toedichten, verkilt de gemeenschappelijke lof en aanbidding tot twist en uiteengaan. Het moet iedereen heel veel waard zijn om dat te voorkomen. 2. Oprechte christenen zullen daarom ook bereid zijn, van elkaar te leren en vooral samen te leren van de evangelisten en apostelen. Zij geven ons aanwijzingen en voorbeelden. 3. Het zou dus niet verstandig zijn om onze vormen van aanbidding of belijden niet in bespreking te willen geven, of het nu om polsbandjes of rozenkransen of gebedsvormen gaat.
 

1. NAMEN OM MET EERBIED AAN TE ROEPEN
 
De heilige namen van onze God en van onze overwinnende Heiland zullen we altijd met eerbied en ontzag willen aanroepen. Maar welke aanspraak kiezen we dan in navolging van de Schrift?

Is het wel juist om onze Here en of onze Vader aan te spreken in het gebed als onze pappa? Want abba betekent toch ook pappa.
Deze vraag is nu een goed voorbeeld bij het bovenstaande. Voor sommigen klinkt de aanspraak `pappa’ heel intiem en vertrouwend en anderen vinden het erg oneerbiedig. 1. Het is belangrijk dat we elkaar begrijpen in het gebruik van aanspraken. Je zou kunnen vragen waarom iemand de voorkeur geeft aan de aanspraak `pappa’ terwijl het Onze Vader dat niet doet. Misschien komen we dan wel uit bij een beroep op huiselijke gewoonten of juist bij traumatische ervaringen met een bepaald streng vaderbeeld. Dat helpt om elkaar te respecteren en te begrijpen. 2. Begrip hoeft echter reacties en vragen niet uit te sluiten. We kunnen elkaar er op wijzen dat ons gebed zich niet hoeft af te zetten tegen aardse vaderbeelden of hoeft aan te sluiten bij familiegewoonten. Het meest bepalend is hoe de HERE zichzelf bekend maakt: nemen we dat als uitgangspunt? 3. En dan komen we uit bij de bespreking van de voorbeelden in de Schrift. Daar lezen we een paar keer de aanspraak Abba (Aramees). De laatste 50 jaar is de mening gepropageerd dat dit `pappa’ zou betekenen. Dit is echter niet waar. Iedere bijbellezer kan dat zelf wel nagaan. Lees Marcus 14,36; Romeinen 8,15 of Galaten 4,6 en je ziet dat het woord Abba daar vertaald is met `Vader’ en niet met `pappa’. Dit zegt wel iets, want in het Grieks bestaat het woord pappas (pappa) wel degelijk. Dit is echter niet gekozen in het Nieuwe Testament. Het woord Abba heeft dus in het Nieuwe Testament de gevoelswaarde van het woord vader en niet van pappa. De moeite waard om over na te denken voordat we de aanspraak kiezen in ons gebed!
Dit voorbeeld had betrekking op de aanspraak van onze hemelse Vader, maar de module gaat over de overwinnende namen van onze Heiland. Mogen we die ook aanroepen?

De apostel Paulus `dankt God door Jezus Christus, onze Here’ (Rom.7,25). In het algemeen vinden we slechts enkele keren in het Nieuwe Testament een rechtstreeks aanroepen van onze Heiland en dan als directe reactie op zijn verschijning of zijn persoonlijk woord (Handelingen 7,59; Openbaring 22,20). Moeten we niet dicht bij dit Bijbelonderwijs blijven en ons gebed richten tot onze hemelse Vader en dit `in Jezus’ naam’?
We kunnen niet ontkennen wat deze vragensteller opmerkt. En de gebedspraktijk van de kerkelijke gebeden sluit zich hier meestal ook bij aan. We kunnen hier ook denken aan het woord van onze Heiland bij zijn afscheid van de leerlingen (Johannes 16,22-27):
Jullie hebben nu verdriet, maar Ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen. Dan hoeven jullie Mij niets meer te vragen. Maar Ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
 Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel. Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef Ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat ik van God ben gekomen.
Dankzij onze Heiland hebben wij een rechtstreekse toegang tot de Vader! Wij mogen vragen `in Jezus’ naam’. Gebeden zijn echter niet alleen vragen, maar ook lofzegging. En juist hier zien we dat in het Nieuwe Testament de afzonderlijke lofzang op onze Heiland wél vaak voorkomt, in de brieven maar ook in Openbaring. Dit is gepast. Daarvoor ontving Jezus de erenaam Heer der heren: `opdat elke tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader’ (Filippenzen 2,11).
Zo mogen de overwinnende namen van Jezus Christus, Gods Zoon, Heer der Heren, Davids zoon, laatste Adam hun plaats hebben in onze dankzeggingen: Hem de lof en eer geven bij ons bidden versterkt ons gebed tot de Vader dat we in zijn naam mogen doen.
Het is de moeite waard om onze gebeden nog eens langs de brieven van Paulus en Openbaring te leggen. Misschien vinden we dan ook het antwoord op een vraag die gesteld werd:
Mogen we een gebed beginnen met lieve Christus of lieve Jezus, wat meer dan eens gebeurt?
 

2. NAMEN: GEEN IDENTIFICATIEFIGUREN
 
Het aanroepen van de heilige namen in onze gebeden hangt nauw samen met de voorstellingen die we hebben van onze Heiland en met de kennis die we hebben van het geheel van de openbaring over Gods geheimenis in zijn Zoon.
Soms wordt Jezus gezien als een soort identificatiefiguur. Zoals een lied zegt: `ik wil als Christus voor jou zijn, en bid dat jij het ook voor mij kunt zijn’. En we lezen over huisbezoekthema’s als `Jezus uitstralen’ of conferenties over `Samen Jezus leven’  dan wel `Jezus ontmoeten’.
Met enige goede wil kunnen we aan al die uitdrukkingen wel een bijbelse betekenis toekennen. En die is ook zeker bedoeld. Bij wat navragen blijkt vaak dat men zich wil aansluiten bij wat de Schrift zegt over allerlei zaken waarin onze Heiland of zijn apostel ons tot voorbeeld zijn (in het dragen van lijden, in het liefhebben enz.).
Toch zijn de gekozen zegswijzen nogal afwijkend van de bijbelse woordkeuze. Dat kan natuurlijk, zeker in poëtisch woordgebruik, maar het wordt toch wat moeilijker wanneer die gekozen zegswijzen misverstand kunnen oproepen. Het misverstand namelijk dat Jezus voornamelijk ons voorbeeld is, onze identificatiefiguur. Alsof wij geen gehoorzame christenen moeten zijn, maar als Christus mogen worden.

Identificatie is zo slecht toch niet? Dat ligt voor een argeloze bijbel-lezer dicht aan tegen "in Zijn voetstappen zoudt treden" 1 Petrus 2:21. En ook tegen de Catechismus Z 32 "tot Zijn evenbeeld vernieuwt".
Het is zeker waar dat de nieuwe mens die wij moeten aandoen, de nieuwe mens in Christus is. En het is ook zeker waar dat wij vernieuwd mogen worden tot de gehoorzaamheid van de laatste Adam. En het valt niet te bestrijden dat het aardse leven van onze Heiland ons in veel opzichten ten voorbeeld wordt gesteld, met name wanneer het gaat om liefde en lijden.
Maar het is ook waar dat de namen van onze Heiland ver uitstijgen boven ons allemaal. En dat wij als schepselen eeuwig onderscheiden zijn van Hem, de Zoon van God. Mijn kleine menselijke bestaan moet zeker veranderen naar de gestalte van Christus, maar dit betreft dan alleen al datgene waarin ik als mens mag gaan lijken op Hem die onze broeder wilde worden. Toch moet ik ook steeds blijven beseffen dat Jezus ook het eeuwige Woord is (door wie ik geschapen ben). En dat Hij de Heer der heren is, hoog boven alle machten in de hemel en op de aarde. Dat is ook zijn beeld en nooit het mijne!
Er dreigt een perspectiefvervalsing wanneer wij de maten van onze heiliging leggen op de gestalte van onze Heiland. Alsof wij bijna vergelijkbaar worden, wat nooit het geval is. Dit laatste zou ik kunnen vergeten wanneer ik teveel en te vaak uitdrukkingen ga gebruiken die zijn Majesteit en zijn Hoogheid buiten beschouwing laten. De evangeliën duiden in het beschrijven van de vernedering van onze Heiland, Hem aan met de enkele naam waarmee Hij toen onder de mensen verbleef: Jezus. Daarentegen gebruiken de apostelen na zijn verhoging bijna altijd een dubbele naam waarin ook zijn hoogheid als Gods Gezalfde bewust meeklinkt: Jezus Christus (of enkel: Christus). Wanneer we ons als doel stellen om `Jezus te ontmoeten’ zeggen we – hoe goed bedoeld ook – in feite iets vreemds. Want wij zullen Hem pas ontmoeten wanneer Jezus Christus, de Heer der heren, weerkomt op de wolken. En wanneer we zeggen dat we `samen Jezus leven’ dan meten we ons iets aan wat niet waar is. Jezus leeft nu aan de rechterhand van de Vader. Hij is het die is en die was en die komt. Hem kunnen wij niet leven. We leven wel dóór Hem, maar dat is iets anders.
 
Samenvattend bij module 6 zouden we kunnen zeggen, dat ons gevoel voor de goede gebedsaanspraak en het goede woordgebruik gevoed kunnen worden door het overdenken van zes overwinnende namen van onze Heiland. Jezus en Mensenzoon; Christus en Zoon van God; Heer der heren en Davids zoon. Wat deze namen betekenen mocht Johannes zien (Openbaring 1,12-18):
Ik draaide me om, om te zien welke stem er tegen mij sprak. Toen zag ik zeven gouden lampenstandaards, en daartussen iemand die eruitzag als een mens. Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. Zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s. In zijn rechterhand had hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de felle zon. Toen ik hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer. Maar hij legde zijn rechterhand op me en zei: ‘Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste.  Ik ben degene die leeft; ik was dood, maar ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk’.

Afdrukken