banner algemeen

6.1 Hoe missen wij de tempel?

Voor christenen is het vaak moeilijk om nog de pijn te voelen van de tempelprofetie: `geen steen zal op de ander gelaten worden’! Het lijkt zo gewoon: geen tempel meer. Het lijkt ook zo nieuwtestamentisch: waarom zouden we nog een tempel nodig hebben? En ongemerkt vergeten we dat onze Heiland nooit een kwaad woord over de tempel heeft gezegd. Integendeel: het is het huis van zijn Vader, het is het huis van Gebed, het is de plaats die Hij reinigt, het is de plaats waar Hij zijn intocht doet in Jeruzalem en waar zijn wonderen plaatsvinden. Zeker: de ijver voor dit huis zal Hemzelf verteren en dan komt er een einde aan de eindeloze zoenoffers van dieren. Zeker: de tijd komt dat men de Vader zal aanbidden in Geest en in waarheid, noch op een berg in Samaria noch in Jeruzalem. Maar dit hoeft nog niet het einde te betekenen van een schaduwachtige woning van God op aarde. Het was een valse beschuldiging toen men Jezus voor het sanhedrin verweet dat Hij de tempel van God wilde afbreken. Zoals het ook valse beschuldigingen waren toen ze Stefanus later verweten dat hij zich tegen de tempel en de wet keerde en dat Jezus van Nazaret volgens hem gezegd zou hebben die plaats te willen afbreken. We zullen ons na 20 eeuwen moeite moeten geven om te begrijpen dat onze Heiland moest huilen toen Hij het toekomstige lot van stad en tempel voor zich zag. En dat Hij de verwoesting van de tempel niet aankondigde als een voor de hand liggende sluiting, maar als het begin van een ongekende verdrukking!
 

1. Christenen en de tempel
 
Hoe hebben de eerste christenen de tempel `beleefd’ toen die nog glorieus overeind stond in Jeruzalem met al zijn grote stenen en prachtige wijgeschenken?

U hebt nu, maar ook in een van de vorige cursussen, het belang voor ons als christenen uitgelegd van de tempel en de verwoesting daarvan. Kunt u ook iets meer aangeven hoe de christenen/jonge gemeenten tot het jaar 70 zijn betrokken bij de tempel en hoe zij hebben gereageerd op haar verwoesting?
En:
Hadden de Joden meteen na Jezus' opstanding moeten stoppen met offeren? De apostelen berispen hen toch niet hierover in hun brieven.
 
In de eerste plaats hebben de christenen uit de Joden hun band met Gods gebedshuis nooit losgelaten. Integendeel: zoveel mogelijk kwamen ze daar samen, tot het hun onmogelijk werd gemaakt. Paulus reist regelmatig terug naar Jeruzalem en bezoekt dan ook de tempel. Hij ondersteunt ook de afwikkeling van een nazireaatsgelofte.
Wel hebben deze christenen uit de Joden begrepen dat de christenen uit de heidenen niet besneden hoefden te worden en dat ze dus ook niet onder de wet van de tempel in Jeruzalem kwamen te liggen. Zo wist Paulus op het moment dat hij het tempelplein betrad, dat hij zijn onbesneden broeders uit Efeze moest achterlaten bij de toegangspoort. Een scheidsmuur tussen hen als christenen was dit niet, want de Joodse christenen deelden de tafel met de christenen uit de heidenen (ondanks het feit dat die de spijswetten niet in acht namen bij de bereiding van de maaltijd).
Bij het uitbreken van de Joodse oorlog (in 66) werden de Joodse christenen in Jeruzalem verdacht van landverraad (heulden zij niet met heidenen vanwege hun geloof in messias Jezus?). Reeds in 62 was hun leider Jakobus, de broer van de Heer, gestenigd. En toen de oorlog uitbrak, was de resterende christelijke gemeenschap uit de Joden gedwongen om uit te wijken naar Pella in het Overjordaanse. De toegang tot de tempel werd hun in feite ontnomen en van verre hebben zij moeten meeleven met de ondergang van hun geliefde stad en tempel. Zij konden daarbij houvast hebben aan de woorden van hun Meester, die deze toen nog ongedachte verwoesting tijdig had voorzegd.
 

2. Joden en de tempel
 
Waarom is de tempel na 70 verleden tijd gebleven?

Waarom hebben de Joden de tempeldienst nooit meer voortgezet nadat de tempel verwoest is?
In latere tijden konden ze hier toch weer mee beginnen? De offerdienst was toch het hart van de dienst aan God.
Het zou juist een consequente ondersteuning zijn van hun Messias-verwachting.
Hoe denken de Joden nu over de Mozaïsche offerwetten?
In het Jodendom als geheel is na 70 het uitgangspunt geworden dat de bestudering van de tempelwetten en het overdenken van alle offers een geestelijke vorm is van trouw aan de tempel. Niet voor niets kunnen rabbijnen door de eeuwen heen over minuscule details in de offerwetten strijd voeren alsof zij die wetten nog dezelfde dag in praktijk zouden kunnen brengen. Dat is hun geestelijke offerdienst.
Verder streven orthodoxe Joden naar herbouw van de tempel. Op dit moment liggen de bouwmaterialen voor die herbouw gereed op geheime plaatsen. Het wachten is op de geboorte van een geheel rode vaars en op de komst van de messias. Pas dan zullen de politieke belemmeringen voor de herbouw verdwijnen, is de gedachte.
Voor christenen is het niet herbouwd worden van de tempel een geweldig teken: zo waarachtig zijn de woorden van onze Heiland! En het is ook een signaal: verwacht Messias Jezus uit de hemel, want dan zal God zelf onze tempel zijn op deze aarde.
 
3. De tijd na de tempel
 
Een aantal vragen heeft betrekking op de (tijd tussen de) verwoesting van de tempel en de terugkeer van onze Heiland.
 
3.1 Wat of wie hield de in bezit name van Gods tempel tegen?
 
Het is een veelbesproken vraag wie bedoeld wordt met de weerhouder in 2 Tessalonicenzen 2,6-7.
We hebben besproken dat deze vraag beantwoord moet worden vanuit het serieus nemen van de in bezit name van Gods tempel (genoemd in vers 4). Toen Paulus de brief schreef, stond de tempel nog in Jeruzalem, volop in bedrijf, in het middelpunt van de aandacht en schijnbaar ongenaakbaar.
Paulus wist echter door overlevering (vers 15) dat deze tempel zou worden ingenomen door de hoogmoedige mens die geen enkel respect heeft voor Israëls God, zichzelf daarvoor in de plaats zal stellen en zich in die tempel zal gedragen als heer en meester (hij gaat zitten waar een mens behoort te staan!). Paulus wist dit vanwege de tempelrede van onze Heiland (Marcus 13).
Deze overlevering heeft hij zelf ook doorgegeven in Tessalonica (verzen 5 en 15).
Men kon daar zelf wel weten wat of wie deze inname van de tempel nog in de weg stond: het onverzettelijke Joodse volk dat zich liever zou doodvechten dan ooit de tempel te laten ontwijden of verwoesten.
Hierover zijn vragen gesteld.

Het was (voor velen denk ik) een grote verrassing, dat de 'weerhouder' het strijdvaardige joodse volk was. Maar hoe kon Paulus dit weten en bij de evangelieverkondiging aan de Tessalonicenzen hebben doorgegeven? Ze konden immers weten wat die wetteloze mens, die zich zou voordoen als God zelf en in Gods tempel zou gaan zitten, nog tegen hield, terwijl dat toen nog niet het geval was. Was die joodse strijd toen al gaande?
We moeten onderscheid maken tussen wat Paulus als overlevering heeft doorgegeven over de tempel-ontwijding en – verwoesting en wat de Tessalonicenzen zelf konden waarnemen. Omdat de Tessalonicenzen zich de kijkrichting van de profetie van de Heiland eigen hadden gemaakt, konden ze de ontheiliging van de tempel – hoe onwaarschijnlijk ook – verwachten. In het licht van die profetie konden ze er oog voor krijgen wat nog in de weg stond. Paulus verwijst dus enerzijds naar de traditie (vers 5 `Herinnert u zich niet dat ik dit gezegd heb?’) en anderzijds doet hij een beroep op het eigen inzicht van de lezers (verzen 6-7 `Dan weet u…’).
De Joodse oorlog was nog wel niet aangebroken, maar de lezers wisten heel goed op hoeveel verzet keizer Gaius tien jaar eerder was gestuit toen hij zijn beeld in de tempel Gods wilde doen plaatsen! Een massale joodse volksoploop in Tiberias kwam tussenbeide! En het is opvallend dat de `weerhoudende kracht’ in vers 7 ook wordt aangeduid als iets dat er `tussen weg’ moet. Blijkbaar staat er nog iets tussen de hoogmoedige mens en de tempel Gods. (Verg. HSV 7c: `totdat hij uit het midden verdwenen is’). Iedereen in die tijd kon wel weten wat of wie eerst uit de weg moest: het Joodse verzet, de Joodse natie.
 

3.2 Wat doet de wetsloze mens met de tempel van God?
 
De wetsloze mens zal zich tenslotte zelfs aan Gods tempel vergrijpen in zijn grove hoogmoed. Hij zal gaan `zitten’ waar een mens behoort te staan in eerbied. En hij zal zichzelf aan de HERE God gelijk maken.
Betekent dit nu dat de hoogmoedige mens die tempel tot zijn paleis zal maken? In de NBV lijkt dat gesuggereerd te worden. Er is sprake van een `plaats nemen op de troon’. Vergelijking met andere vertalingen maakt duidelijk dat deze woorden niet in het Grieks staan. De NBV heeft deze troon naar binnen gesmokkeld en het perspectief daardoor veranderd. Het gaat niet om de vraag wat de hoogmoedige mens met die tempel gaat doen, maar dat hij zich aanmatigt, die in bezit te nemen en de zeggenschap over te nemen als was hij zelf God en als was het zijn domein. Het `gaan zitten in Gods tempel’ wordt uitgelegd door het vervolg: `zich als God voordoen’. Dit brengt ook tot een antwoord op de volgende vraag:

Die joodse strijd is door hen vol gehouden tot het uiterste en wel tot Jeruzalem was ingenomen en de tempel totaal verwoest, in het jaar 70. Maar als de tempel toen totaal verwoest werd door de Romeinen ('geen steen op de andere gelaten'), omdat ze door die felle tegenstand van de joden verschrikkelijk kwaad waren, hoe kan die wetteloze mens dan nog in diezelfde tempel plaats nemen? Zover is het immers door die verwoesting nooit kunnen komen.
De tempel is door niemand anders verbrand en verwoest dan door de Romeinen onder leiding van Titus. Dit betekent dat de hoogmoedige mens eerst de tempel in bezit heeft genomen (door uitroeiing van de Joden die zich daar verschansten). Daarna heeft het dezelfde hoogmoedige mens goed gedacht om zijn rechten te doen gelden door het huis af te breken. Juist het slopen van de tempel bewijst dat de wetsloze mens zich verhief boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt. Alleen de eigenaar kan het huis laten slopen: de Romein gedroeg zich als eigenaar over Gods huis!
 

3.3 De inkorting van de dagen.
 
In Matt 24-vers 22 lezen we: ,,En als die dagen niet ingekort werden, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden’’. Heeft dit te maken met de tijd dat Christus terugkomt ? of is het nu al gaande ?
 Mijns inziens heeft dit niet speciaal betrekking op de wederkomst, maar op heel de tijd die daaraan voorafgaat. Het gaat hier over de dagen van de grote verdrukking die over heel het volk Israël zal komen na de verwoesting van de tempel. God heeft, zo zegt de Heiland, die dagen `ingekort’.
Daarover schreef ik in mijn commentaar op Marcus (13,20) het volgende.
,,Het werkwoord dat hier wordt gebruikt (koloboun) betekent `kortwieken, amputeren, inkorten'. Alleen in deze rede komt het werkwoord voor in verbinding met een tijdsaanduiding. Vele uitleggers denken nu aan een verkorting van de periode. Daarbij rijzen echter drie problemen: a) heeft God eerst een tijdsduur vastgesteld waarvan Hij bij nader inzien ontdekte dat deze te ruim was uitgevallen voor het beoogde doel? b) is God voor het behoud van uitverkorenen afhankelijk van de tijdsduur? c) er staat niet dat God de tijdsduur (ton chronon) inkort, maar dat Hij de dagen verkort. Het is een uitzonderlijke aanduiding. Een mogelijke uitleg is dat de dagen van dit tijdvak worden ingekort. De periode blijft wel even lang, maar de dagen van verdrukking duren korter. Hier is te denken aan Jozua 10,12-15. Toen verlengde God op Jozua's bede een dag, met als gevolg dat de vijf verenigde koningen totaal werden verslagen. Het omgekeerde - verkorting van de dagen - heeft tot gevolg dat de onderdrukking beperkt wordt.  Wanneer God de `dagen van Hitler' niet had bekort, zou er geen Jood zijn overgebleven. Door de dagen van vervolging steeds een wat vroegtijdig einde te geven, wordt voorkomen dat er geen volk overblijft. Er mag echter een volk onder de druk overblijven opdat daaruit de uitverkorenen van God te voorschijn zullen komen in de loop van deze periode. Hij is voor het behoud van de uitverkorenen uit het volk Israël niet afhankelijk van de tijdsduur, maar wel van het in stand blijven van het Joodse volk.’’
 

3.4 Hoeveel tijd tussen de verschijning van de wetsloze mens en de hoogste Heer?
 
Het blijft voor mij nog wat moeilijk om 2 Tess. 2 goed te begrijpen. Mijn vraag spitst zich toe op vers 8. In de voorgaande verzen ging het erom dat de dag van de Heer Jezus pas zal komen als de wetteloze mens is verschenen, die eerst nog tegengehouden werd. Pas als degene die de wetteloze mens tegenhoudt is verdwenen, dan verschijnt de wetteloze mens. (Vers 8) "en dan zal de Heer Jezus hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst." Het verschijnen van de wetteloze mens en zijn ondergang worden hier in één adem genoemd, wat bij mij de indruk wekt dat dit dus ook vrij snel na elkaar zal gebeuren. Dit wordt versterkt door het woordje "dan": De wetteloze mens verschijnt en DAN zal de Heer Jezus hem doden ...
Betekent dit dat er rond het jaar 70 ook al iets te zien is geweest van de dag van de Heer Jezus en de ondergang van de wetteloze mens?
 Voor details is het altijd goed de Nieuwe Bijbel Vertaling  te vergelijken met de Herziene Staten Vertaling. En het gaat hier om een detail. Het woordje `dan’ lijkt in de NBV aan te geven dat er vrijwel geen tijd ligt tussen de verschijning van de wetsloze mens en de verschijning van onze Heiland. De vertaling luidt alsvolgt: `Pas dan verschijnt hij [de wetsloze mens] – en dan zal de Heer Jezus hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst’. In deze vertaling staat twee keer het woordje `dan’. Daardoor lijken beide verschijningen bijna samen te vallen.
Laten we dit vergelijken met de HSV: `En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij zijn komst’. Hier staat slechts één maal het woordje `dan’. En dit is correct, want ook in het Grieks komt het in deze zin slechts één keer voor.
Wanneer we de HSV lezen is vers 8 niet een uitspraak over de tijd tussen de éne en de ándere verschijning, maar een uitspraak over de overmacht van de twééde verschijning. Doordat de HSV nauwkeuriger is, begrijpen we dat dit vers geen uitspraak doet over de tijd tussen de verschijning van de wetsloze mens en zijn vernietiging door de komst van de Heiland.

Afdrukken