banner algemeen

6.3 Leven als Lot in de 21ste eeuw

1. Lot
 
Twee opgerichte tekenen reizen met ons mee. Het tempelpuin in Jeruzalem en de triomfboog van Titus in Rome. We kunnen weten hoe laat het is: een tijd van verdrukking en van hoogmoed.
Hoe dan te leven? Wij weten lengte noch duur. Wel is duidelijk dat er méér nachtwaken zijn. Wanneer we zelf in de vierde wake zouden dienstdoen, weten we niet of het de laatste is: misschien wél!
Het boek Openbaring kleurt onze tijd, maar geeft geen tijdperken of kalenders.
Waar moeten we ons dan op richten?
Het antwoord van onze Heiland is duidelijk: het zal zijn als in de dagen van Noach. Het gaat om volhouden totdat de waarheid zal blijken van wat je nu gelooft zonder het te zien.
Een voorbeeld daarvoor is Lot. En een waarschuwing is de vrouw van Lot.

Op welke manier kan Lot ons voorbeeld zijn?
Lot is een voorbeeld op de manier waarop Petrus het onder woorden brengt: `de rechtvaardige Lot leed onder de losbandige levenswandel van normloze mensen: hij woonde in hun midden en heeft dag in dag uit zijn rechtvaardige ziel gekweld bij het zien en horen van hun wetteloze daden’.
Lot kon de wereldse werkelijkheid van Sodom niet veranderen. Hij kon er wel innerlijk afstand toe voelen, omdat hij wist van de God van Terah en van Abram. Het was zijn last dat hij dagelijks moest lijden onder de wereld waarin hij woonde. Hij woonde er niet met overgave en plezier, wel met verantwoordelijkheid.
Daarin is Lot een voorbeeld: ga nooit afstompen in je gevoel. Raak nooit het gevoel kwijt voor Gods heiligheid. En wen dus nooit aan de wetteloze daden om je heen. Wees een vreemdeling die elders een beter vaderland heeft!
 
 
2. Hemelburger in de vreemde
 
Hoe beleven we deze vreemdelingschap in de praktijk? Daarover een lange vraag:

Onze vraag is of er op basis van bijv. 1 Joh. 2 : 22 en 23 niet een grote terughoudendheid moet zijn in de omgang met niet-christenen. Dit ook n.a.v. uw opmerkingen dat we beducht moeten zijn voor invloeden van de anti-christ, die vooral uitkomen in anti-christelijke denkbeelden. Zo van: waar je mee omgaat word je mee besmet.
We hadden onlangs het voorrecht om in Australië te zijn. Daar vult men het zo in: geen vrienden buiten de kerk; niet studeren aan een Australische universiteit; geen vrijwilligerswerk buiten de kerk enz. Men zegt dat men daarvoor kiest, omdat men bang is voor verkeerde invloeden. Moeten we die kant op?
Terwijl we juist de laatste jaren binnnen onze kerken steeds meer geluiden horen om uit te bewegen; om het evangelie met mensen buiten de kerk te delen.
Lezen we in Mal. en Openb. niet dat antithese een conclusie is ipv een voorondersteling?
Maleachi 3 : 18: "Dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient." En Openb. 22: 11: "Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd." In deze woorden wordt duidelijk een verschil, zelfs een tegenstelling, ja zelfs een groeiende tegenstelling (de letterlijke betekenis van het woord 'antithese') openbaar tussen gelovig en ongelovig in de wereld.
De bijbel geeft ons niet een draaiboek voor het beleven van de vreemdelingschap. Dat is niet zo vreemd.
1. Om te beginnen is het `lijden onder de wetsloze daden om ons heen’ een zaak van ons hart en gevoel. Dit soort lijden is een schaduw die langer wordt naarmate onze liefde voor God toeneemt. Hoe innig verbonden voel je je aan de goede Schepper, de Vader van onze Heiland? De beslissende vraag die onze Heiland aan Petrus stelde, is ook voor ons de allerbelangrijkste: `N.N. heb je Mij lief?’ Hoe geringer die liefde is, hoe gemakkelijker we de wereld om ons heen zullen accepteren. Hoe dieper die liefde wordt, hoe moeilijker we het vaak zullen hebben met een wetsloze omgeving die de Schepper niet wil kennen en zich door geen openbaring laat gezeggen.
2. In de tweede plaats is de situatie van christenen vaak heel verschillend. Soms met kleine groepjes in een vijandige omgeving. Soms met vele christenen in een vriendelijke omgeving. Soms met mogelijkheden om als christenen eigen scholen enz. te onderhouden, soms zonder die mogelijkheden en geheel afhankelijk van voorzieningen zonder Bijbelse overtuiging. Het is voor iedere generatie de taak om biddend en met wijsheid een weg te zoeken voor het dienen van de HERE. Australië is Nederland niet. En de 21ste eeuw is anders dan de 16de. Helaas vergeten christenen dit nogal vaak. Dan is men snel met het veroordelen van de manier waarop vroegere generaties leefden of christenen in andere landen hun weg zoeken. Je afzetten tegen anderen is echter niet de juiste weg om zelf wijs te worden.
3. In de derde plaats heeft de gemeente een belangrijke taak om haar leden toe te rusten. Laat de kerkdienst de gemeente bepalen bij het hemelrijk en de christenen helpen hun harten weer omhoog te heffen naar de hemel, waar Christus is!
Tenslotte is nog altijd beslissend het woord van Jozua: `Ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen’. Een christelijk gezin is een beschermende cel in een vreemde omgeving.
 

3 Het bedreigende masker van `wetenschap’
 
Onze westerse samenleving is doortrokken van een diep respect voor `wetenschap’ en `deskundigheid’. Wat de priesterwoorden waren in een vroegere cultuur, zijn vandaag de woorden in naam van `de’ wetenschap.
Nu hoeft niemand bang te zijn voor kennis en wetenschap. Je voelt je als christen pas bedreigd, wanneer deze `wetenschap’ een masker van hoogmoed gaat opzetten. Niet alle wetenschappers doen dit, maar het is wel een trend in onze cultuur.
Dit kan het christelijke leerlingen en studenten heel moeilijk maken. Een masker jaagt angst aan. Wie zou nog in Genesis durven geloven, wanneer de wetenschap heeft `bewezen’ dat de wereld door een oerknal en evolutie is ontstaan? Wie zou het durven opnemen tegen deze Goliath van de wetenschap die door duizenden wordt gevolgd? Vandaar de volgende vraag:

Kan hoogmoed ertoe leiden dat het geloof wordt verdrongen door de wetenschap. Kan dit “een geheim van wetteloosheid” zijn ?(Bijbelstudie Hoogmoed 1.3)
 Niet de wetenschap is een bedreiging voor het geloof, maar alleen het masker van hoogmoed dat ze vaak draagt. Christenen zouden zich moeten richten op `ontmaskering’. Het uitgangspunt van `de’ wetenschap met dit masker is namelijk dat de mens alles ziet en alles kan onderzoeken en dat hij dus sluitende en definitieve conclusies kan trekken. Dit is echter een aanname, waarvan we weten dat die onzeker is. Reeds kennistheoretisch: hoe kun je weten dat je alles ziet? Maar ook gelovig: er is een hemel met engelen die wij niet zien en die veel invloed heeft op alles wat op aarde gebeurt. Onze wetenschap blijft altijd maar halverwege. Ze kan veel bereiken, maar weet vaak weinig over oorzaken en achtergronden. Sommige wetenschappers zijn zich dit heel goed bewust, maar de propagandisten van het geloof in de mens wekken de indruk dat de mens als god is. Dat hij op alles de hand kan leggen en overal achter komt. Het is deze hoogmoed die het kwaad is, niet het wetenschappelijk onderzoeken of het ontwikkelen van nieuwe technieken.
Zie ook de bijlage in de afdeling Kroongetuigen: Zien en niet zien.
 

4.4 Gedenk, Heer, uw verbond!
 
Levend als Lot in Sodom, lijden gelovigen ook vaak onder de invloed die de wereld krijgt op één of meer van hun kinderen.

Het verhaal over de macht en invloed van de antichrist en de waarschuwing die Johannes (e.a. apostelen) daartegen laat horen leidt bij mensen, die familie heeft die van het geloof afgevallen zijn, vooral ook ouders van kinderen die God en Christus vaarwel zeggen, tot indringende vragen. Is er christelijke troost voor zulke familieleden of ouders? Welke dan?
 Er zijn dingen waarover je beter met elkaar kunt bidden dan praten. Daar hoort zeker ook bij het verdriet over afdwalende of opstandige geliefden, familieleden, kinderen. Natuurlijk kunnen we iets doen. We mogen onszelf onderzoeken of we ooit aanleiding gaven tot ergernis en we moeten ons dan zeker inspannen om dit zo mogelijk te herstellen. We kunnen ook ons uiterste best doen om de afgedwaalde te laten voelen dat we op de uitkijk blijven staan, zoals de vader van de verloren zoon. We kunnen altijd blijven bidden, zoals de weduwe bij de onrechtvaardige rechter of zoals de moeder van Augustinus. En we kunnen ons ootmoedig buigen om de last te dragen die God ons te dragen geeft.
Maar dit alles verhindert niet dat in ons hart dat knagend gemis blijft: `O, Absalom,mijn zoon, mijn zoon!’’ 
Is er troost? Wanneer we daarmee bedoelen dat we tegen elkaar kunnen zeggen dat het wel `goed zal aflopen’ is dat niet het geval. Dit geldt niet alleen voor afgedwaalde kinderen, maar voor iedereen. We leven allemaal in geloof en in hoop, maar niemand kan rusten op garantiepapieren. Dat geldt dan ook voor wie afdwaalden. Maar in plaats van garantiepapieren zijn er wel hun doop als kind, hun christelijke opvoeding. Gods werk in hun leven! God vergeet niet de kinderen van de gelovigen: Hij gedenkt zijn verbond, want Hij is trouw, ook als wij ontrouw zijn! Dat is geen sussende geruststelling, maar het geeft wel moed om levenslang aan te houden in gebed.
Eén ding weten we wel heel zeker: er komt een tijd waarin we het knagend verdriet niet meer kennen. We hebben de belofte dat God alle tranen van onze ogen zal afwissen. Dus ook die tranen die maar nooit wilden drogen! Hoe Hij dit doet? In ieder geval zó dat we tot rust komen en blij kunnen zijn. Op dat geheim wachten we. In vertrouwen, als het goed is.
 
HERE, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik.
Ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.
Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.
Israël: hoop op de HEER
van nu tot in eeuwigheid.
 
Pelgrimslied van David
(131)
 
 

Afdrukken