04.2 Hoe is het hemelrijk nabij?

In Het evangelie van het koninkrijk der hemelen (Algemene Inleiding) [04.1/] heb ik geprobeerd een korte schets te bieden van de Bijbelse boodschap over het hemelrijk. In die Inleiding werd al aangegeven dat er allerlei vragen kunnen rijzen over de nabijheid van het rijk toen en nu. En dat er ook allerlei gedachten leven over die nabijheid.

Eén cursist liet de vragen nog eens over elkaar heen tuimelen. En het lijkt me de moeite waard om aan de hand van die vragen het onderwerp van de Inleiding nog eens opnieuw onder woorden te brengen in een soort gesprek dat hieronder volgt.

Vraag: Ik heb een vraag over het Koninkrijk van de God (of van de hemelen). U heeft er al een en ander over gezegd en geschreven. Toch zit ik er in mijn persoonlijk geloofs- en gebedsleven soms mee wat ik kan/mag bidden of geloven als het gaat om het Koninkrijk.

Omdat wij dagelijks mogen bidden om de komst van Gods rijk, is het goed om over de inhoud van die bede na te denken. De Heiland heeft ons in het Onze Vader geleerd dat wij mogen bidden dat Gods koninkrijk zal komen en dat zijn wil op aarde zal gebeuren zoals in de hemel. We mogen uitzien: dat is de christelijke hoop die ons moed geeft in dit leven dat toch niet anders is dan een langzaam sterven en voor velen ook een tijd van vervolging. We mogen ook vertrouwen dat ons bij ons sterven de toegang in het hemelse rijk zal worden geschonken door het toevluchtnemend geloof tot onze Heiland die reeds als Koning aan Gods rechterhand zit en in de hemel voor ons bidt: waar Hij is, zullen ook wij zijn wanneer we worden geroepen. Kortom we mogen ons gedragen als vreemdelingen in een vreemd land, maar niet zonder paspoort: we zijn burgers van een rijk dat in de hemelen is gevestigd, waar onze Koning is, en dat op aarde zal neerdalen wanneer Hij terugkomt te midden van al zijn heilige engelen.

Het hemelrijk is de erfenis die voor ons gereed ligt in de hemel (1 Petrus 1,3-12 vergelijk 1 Korintiërs 6,9-10; 15,50; Galaten 5,21; Efeziërs 5,5; Jakobus 2,5). Straks gaan we dat hemelrijk binnen waar we nu nog niet zijn (al zijn we er geestelijk mee verbonden): 2 Petrus 1,11. Het onwankelbare koninkrijk ligt vóór ons en is al voor ons gereedgemaakt (Hebreeën 12,26-28). Paulus verwacht aan het einde van zijn leven, dat de Here hem van alle kwaad zal redden en `veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen’ (2 Timoteüs 4,18).

Vraag: Jezus predikte het nabije Koninkrijk van de hemelen. Wat bedoelde Hij daar nu mee? Wat verlangde Hij dan van de mensen die Zijn boodschap hoorden (er daarmee ook van ons)?

De nabijheid heeft niet in de eerste plaats met tijd te maken (`het is er bijna’), maar met ruimtelijke nabijheid (`het is vlakbij’). Het gaat immers niet om een tijdstip (bijv.een Loofhuttenfeest op een bepaalde datum), maar om een continue werkelijkheid (een Rijk, een Staat). Johannes wist dat de Messias direct na hem zou komen: Hij was al geboren en dichtbij (zo dichtbij als de afstand van Nazaret tot de Jordaan)! Wanneer de Here Jezus gaat prediken, is Hij nabij Israël. Hij is de Zoon van God op aarde. De Almachtige, Gods Beminde. Hij is de Koning door wie God alles geschapen heeft. En nu is het hemelrijk zo dicht bij de mensen als de Koning in hun straten loopt. Dat verplichtte hen tot geloof en eerbied en tot het volgen van deze Leermeester. Hij zou aan hen de toegang geven tot zijn hemelrijk. Vandaag is die Heiland in de hemel, maar dat is niet ver weg. De (voor ons onzichtbare) hemel is zo dichtbij als het paleis grenst aan het voorplein. In geloof zien we Hem daar aan Vaders rechterhand. En ook voor ons geldt wat gold voor de mensen in de tijd dat Jezus dicht bij hen was op de aarde: `doe boete, geloof het goede nieuws van het hemelrijk, verwacht het van Hem die daar boven zetelt als onze Koning, weet je burger van dat hemelrijk en vertrouw dat je eens met Christus zult zijn of dat je Hem bij zijn komst tegemoet zult gaan in de lucht om Hem in te halen wanneer Hij alles nieuw komt maken’.

Vraag: Is met Jezus' komst op aarde ook het Koninkrijk gekomen?

Met Jezus’ komst is het hemelrijk nabij gekomen. Dat is iets anders dan `gekomen zijn’. Juist de prediking van de nabijheid maakt ons duidelijk dat het niet een kwestie is van `is het er nu wel of niet?’ De eigenlijke vraag is: `Zijn wij er nu wel of niet om in dat rijk van Jezus te geloven en het te verwachten. Goed nieuws: het rijk is al dichtbij. Nu de vraag: Waar blijven jullie?

Vraag: Is het Koninkrijk iets wat 'nog in de hemel' is of is het bezig werkelijkheid te worden in deze wereld?

Het hemelrijk is vandaag in de hemel. Gelovigen zijn daar al mee verbonden door geloof en door de Heilige Geest. Die verbindingen zijn volle werkelijkheid en geven een vreugde die het verstand te boven gaat. Maar die vreugde en verbondenheid met onze Staat in de hemel, beleven wij nog op een aarde waar de satan met zijn laatste offensief bezig is, waar de dood nog heerst en waar de vervolging woedt. Ik vind het een beetje verwarrend om te zeggen dat het hemelrijk `bezig is werkelijkheid te worden op aarde’. Hoe kan iets nu bezig zijn werkelijkheid te worden? De bedoeling van die zegswijze kan wel goed zijn. Toch zou ik liever zeggen dat onze band met het hemelrijk door geloof en Geest ons helpt om te geloven, te hopen en lief te hebben. Hemelse vruchten in de woestijn, maar nog geen wereldvernieuwing of herstel van alle dingen.

Vraag: Of is het Koninkrijk daar waar mensen in Hem geloven en Hem navolgen? Maar hoe zit het dan met weerstand en vervolging die gelovigen kunnen ervaren? Moeten/mogen we er om bidden dat Zijn Rijk zichtbaar wordt in deze huidige wereld en dat we meehelpen om het te verwezenlijken of is het iets wat pas na deze wereld komt, na Jezus' wederkomst op aarde?

Zoals hierboven al aangegeven, vind ik de zegswijze dat het koninkrijk daar is waar mensen in Hem geloven en Hem navolgen niet aan te bevelen, ondanks goede bedoelingen. 1. Het is niet de bijbelse manier waarop over het hemelrijk wordt gesproken. 2. Het gevaar is dat we bij het hemelrijk niet meer zozeer denken aan de verlossing van de aarde en de nieuwe wereld, maar alleen aan een geestelijke werkelijkheid (daarbij te bedenken dat veel moderne theologen het hemelrijk zelfs uitsluitend willen zien als een geestelijke werkelijkheid die niets te maken zou hebben met kosmos, werelddelen, politieke omwenteling, nieuwe hemel en nieuwe aarde). 3. Het gevaar is ook dat we ons eigen christelijke leven (kerkelijk, sociaal, politiek enz.) gaan beschouwen als een stukje `werk’ dat wij doen om aan het hemelrijk te bouwen: dit kan verbeelding in de hand werken en het perspectief van de christelijke hoop doen afnemen. 4. We lopen dan het gevaar ons aan illusies vast te klampen: je hoort dan opeens kermen dat we geen christelijk land meer zijn of dat we iets moeten doen aan die tegenstand tegen het christendom. Kruistochten houden zit in ons bloed, maar ons Jeruzalem is boven en daar hoef je geen kruistocht voor te organiseren. Want ja, het hemelrijk komt met Christus. Maar nee, het is niet iets in de verte, want het is zo nabij als wij door de Geest in de nabijheid van onze Heiland daarboven leven.

Nog een laatste vraag: In uw antwoorden op gestelde vragen zei u dat wij niet de taak hebben om te werken aan een algemeen programma van herstel van het leven op aarde.
Door kerkplanters wordt ons wel voorgehouden dat zending door de kerken ook moet inhouden dat gewerkt wordt aan herstel van de schepping en van het leven op aarde.
Wat is uw standpunt over deze opvattingen over zendingsarbeid door de kerken?

Dit is een complexe vraag. Wie en wat zijn kerkplanters? En waar houden zij `ons’ dat voor? En waarom? Laat ik me beperken tot de vraag of wij de opdracht hebben om de wereld alvast te gaan verbeteren. Die opdracht hebben we zeker. Te beginnen met onszelf. En dat wordt een hele opgave, wanneer je weet dat de duivel, de wereld en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten. Maar omdat het de Here is die in ons werkt, mogen we in vertrouwen werken aan onze eigen zaligheid, met vrees en beven. Zo hopen we kinderen van God te mogen zijn, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld (Filippenzen 2,12-18). Het ootmoedig wandelen met onze God (Micha 6,8) zal ons tot zout maken van de wereld (Matteüs 5,13). Zo mogen we in zekere zin eerstelingen van zijn schepselen worden (Jakobus 1,18). Wanneer wij met woord en daad de deugden verkondigen van Hem die ons uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht heeft geroepen, dan zijn we een heilig eigendomsvolk van God geworden (1 Petrus 2,9-10). En dat heeft betekenis, voor Gods eer, voor onze zaligheid en ook opdat onze naaste voor Christus wordt gewonnen. Dit laatste is het belangrijkste. Want hoeveel we ook ons best doen om het goede te zoeken voor de wereld waarin we wonen, ze zal eens door vuur worden verbrand. En wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. Met andere woorden: geen betere dienst kun je deze wereld bewijzen dan haar op de Redder van de komende wereldbrand te wijzen. Doet boete, want het hemelrijk is nabij: dat is het goede nieuws.

Afdrukken