07.1 De verwerping van de Messias: jullie wilden niet! Over Farizeeën, over Israël.
Bij het luisteren naar evangelisten en apostelen is het heel belangrijk om de Farizeeën (en Israël) niet te beschouwen als bij voorbaat slecht. Alsof ze van huis uit al wettisch en huichelachtig en slecht waren, zodat het wel bijna vanzelf sprak dat zulke mensen en zo’n volk door Jezus moesten worden veroordeeld. Juist de Farizeeën en de Joden waren trouwe gelovigen, ze wilden leven als kinderen van Israëls God. Zij hadden de eersten kunnen en moeten zijn om Jezus als de Messias welkom te heten. Hun onwil om dit te doen is voor onze Heiland heel bitter geweest en het bewoog Hem tot tranen over Jeruzalem en Israël en de Farizeeën. Hij wilde hen bijeenbrengen onder zijn vleugels, maar zij wilden niet (Mt.23,37-39)!
In de evangeliën en in de brieven zijn wij getuige van dit aangrijpend gebeuren. In het licht daarvan moeten we Jezus’ heftige uitspraken beluisteren: in de evangeliën over de Farizeeën en later in de brieven over het niet-christelijke Israël. Het zijn geen afstandelijke uitspraken over mensen die toch al niet deugden in leer of leven, maar het zijn teleurgestelde en daarom heftige uitspraken in een conflict-situatie. We mogen ze daaruit niet losweken en er algemene beschrijvingen van maken. De evangeliën beschrijven ons niet in de eerste plaats wie Farizeeën waren, maar hoe zij reageerden op de verschijning van Jezus. De brieven vertellen ons niet in de eerste plaats hoe de Joden er bij stonden in de eerste eeuw, maar hoe zij reageerden op de prediking van het evangelie.
Omdat we vaak anders gewend zijn, kan het geen kwaad om het nog eens te herhalen: alle uitspraken in het Nieuwe Testament over en tegen de Farizeeën zijn een gevolg van de verschijning van de Messias en de verwerping van deze Messias door de geestelijke leiders. Daarom moeten we leren om die uitspraken niet te lezen als tijdloze beoordelingen van mensen (adderengebroed, huichelaars enz.), maar als historische veroordelingen van mensen die het Licht niet wilden zien op het moment dat het door Gods grote genade over hen ging schijnen.
Ditzelfde geldt dus ook, zoals reeds gezegd, van vele uitspraken over Israël en de wet in de brieven. Wij zijn heel vaak geneigd ook die te lezen als algemene en tijdloze uitspraken terwijl het uitspraken zijn in het grote Geding dat is ontstaan tussen het Licht dat verscheen en de duisternis die zich daarvoor afsloot!
Zelfs wanneer die negatieve reacties zouden zijn voorbereid door een eerdere verkeerde levenshouding van zelfvertrouwen of door inconsequenties in het omgaan met de traditie, dan nog is de reactie zelf (met al zijn bedervende gevolgen) iets nieuws dat ook anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn en voor een deel van de Farizeeën en Israël gelukkig ook anders is geweest of is geworden!
Vele Farizeeën bekeerden zich later tot Jezus en een deel van Israël stelde zich open voor de Messias. Zij hoefden niet verlost te worden van de Farizese leer en levensgewoonten en Israël hoefde niet verlost te worden van besnijdenis en wet. Zij moesten alleen bevrijd worden van hun onwil om het Licht te zien.
*
Realiseer je dat dit best lastig is toe te passen bij het Bijbellezen. Wij zijn door de grote tijdsafstand er heel erg aan gewend geraakt, veel uitspraken over de Farizeeën en over Israël heel vlak te lezen als algemene uitspraken over hen. Bovendien worden we sterk gehinderd door een in de eeuwen gegroeid negatief Farizeeën-beeld en ongewild ook nog altijd een beetje door de antisemitische kijk op het Oude Testament en Israël in de afgelopen twee eeuwen.
Wanneer je je daardoor bij voorbaat niet verbonden voelt met de vrome Farizeeën en wanneer Israël met het Oude Testament al bij voorbaat ver van je afstaat, wordt het alleen maar steeds moeilijker. Je leest al die negatieve uitspraken in het grote Geding dan al gauw als een bevestiging van je afstandelijke visie op Farizeeën en Israël. Het is ook wel gemakkelijk: je lijkt zelf buiten schot te blijven en dankt er misschien wel voor dat je geen Farizeeër bent, zoals in de loop van de eeuwen veel christenen dankbaar waren dat ze geen Joods bloed hadden. Wij hebben dan misschien niet in de gaten dat we opeens precies dezelfde houding van zelfverhoging hebben die de Farizeeër in de gelijkenis had toen hij dankbaar was, geen tollenaar te zijn.
Iemand schreef mij naar aanleiding van de Bijbelstudie over Saulus (de Farizeeër die christen werd) de vraag waarom we zoveel tijd hebben besteed aan de Farizeeën: is een derde van module 3 (Israël en het evangelie) niet teveel eer voor hen? Voor de vraagsteller is het een kwestie van verkiezing enerzijds en verwerping (van de Farizeeën) anderzijds. Dit lijkt me niet een goed uitgangspunt bij het Bijbellezen. Voor zover we uiteindelijk ook te maken hebben met Gods verkiezing en verwerping, moeten we erkennen dat de Farizeeën als groep niet verworpen zijn, ook al is een deel van hen ongelovig gebleven. Maar Gods verkiezing en verwerping werken in de weg van roeping en genade. Over die historische werkelijkheid gaat het in de evangeliën en niet over de eeuwige raad van God die wordt uitgevoerd door dat alles heen, maar die ons verborgen is. Onze Heiland heeft niet kortweg afstand genomen van Jeruzalem als `verworpen; maar Hij heeft erom geweend als over een stad die niet heeft gewild. De geschiedenis van die onwil vult een belangrijk deel van de evangeliën en is de kern van Jezus’ lijden op deze aarde: vandaar de bijzondere aandacht ervoor in de eerste Bijbelstudie over Israël en het evangelie.
*
Het bovenstaande kan nu dankzij gestelde vragen op een aantal punten nog wat verder worden toegelicht.
1. Huichelaars? Wanneer we losse woorden of beelden uit hun verband lichten, kunnen ze zomaar scheldwoorden worden. Iemand wees er op dat de Farizeeën in Matteüs 23 toch maar herhaaldelijk `huichelaars’ worden genoemd. Het lijkt een negatief scheldwoord voor alle Farizeeën. Maar de Heiland is zijn prediking helemaal niet begonnen met het `ontmaskeren’ van Farizeeën. Pas in de confrontatie met hun ongeloof en vooral agressie komt de term huichelaars (toneelspelers) naar voren (Mt.6,2.18; 7,5; 15,7; 22,18; Lc.12,56; 13,15). Waarom? Omdat dit typerend zou zijn voor Farizeeën? Nee, omdat de Farizeeën zich voordoen als beschermers van de wet, terwijl zij zich in werkelijkheid achter die wet verschuilen om hun afwijzing van Jezus te camoufleren en schijnbaar te rechtvaardigen. Liefde voor de wet is goed, maar wanneer je in naam der wet de Wetgever zelf probeert verdacht te maken en te doden, dan word je een toneelspeler. Echte liefde voor de wet moet juist leiden tot eerbied voor de gekomen Wetgever, de Zoon van God. Farizeeën zijn geen huichelaars van huis uit, maar hun afkeer van het Licht dat Jezus is, maakt hen tot toneelspelers: alsof ze Jezus wel zouden willen aanvaarden wanneer de wet er maar niet tussen zat! Ze kunnen goed genoeg weten dat Jezus niet is gekomen om wet of profeten te ontbinden. Hun tranen over het risico dat de wet zou lopen bij Jezus, zijn eigenlijk krokodillentranen. Jezus ontmaskert dit door de pijnlijke aanspraak `toneelspelers’.
We kunnen hier ook denken aan de aanspraak `adderengebroed’ die de Heiland in Mt.12,34 gebruikt voor de Farizeeën: dit gebeurt als reactie op hun suggestie dat Jezus door de kracht van Beëlzebul de boze geesten zou uitdrijven. De term was eerder al gebruikt door Johannes de Doper (Mt.3,7): hij vergeleek de Farizeeën en Sadduceeën met jonge addertjes die de komende toorn willen ontvluchten. Het beeld is ontleend aan akkers die worden afgebrand en waar dan voor het vuur uit de jonge adders het akkerterrein ontvluchten. Dat dit de achtergrond is van het beeld blijkt ook wanneer Jezus in Mt.23,33 van de Farizeeën en wetgeleerden zegt dat zij als adderengebroed `aan de veroordeling tot de hel willen ontkomen’. Het gaat hier dus niet om een minachtend scheldwoord voor Farizeeën, maar om een beeldende typering van hun gedrag: ze denken het oordeel van de Mensenzoon wel te zullen ontlopen! Maar waar baseren ze dit op?!
2. Fouten van wetgeleerden maken hen nog niet tot foute wetgeleerden. De Heiland begint zijn rede tegen de weerspannige Farizeeën en wetgeleerden in Mt.23,2-3 met de aansporing, te doen naar hun leer, niet naar hun werken. Sommigen vinden dit vreemd omdat de Here Jezus meer dan eens wijst op fouten en inconsequenties in het gedrag van wetgeleerden en Farizeeën (Marcus 7,6-13). Ook deze fouten worden echter aangewezen op het moment dat de wetgeleerden en Farizeeën zich als het ware `opblazen’ tegenover Jezus die een Samaritaan enz. zou zijn. Het past deze tegenstanders om een toontje lager te zingen! Met meer bescheidenheid en zelfkennis zouden zij eerder bereid zijn om de hulp te zoeken van de gekomen Zaligmaker! Wat ze nu doen, is zich van Hem afmaken door te praten over de handwassing van de leerlingen. Dat past bij meer van dat soort dingen waarin ze uit zorg over het kleine juist het grotere vergeten. In deze woorden klinkt algemene kritiek op bepaalde manieren van omgang met de traditie. We kunnen uit deze zwakke plekken echter niet zomaar afleiden dat er niets deugde van deze voorgangers. Zij hebben wel degelijk een `gerechtigheid’ (Mt.5,20), maar om het hemelrijk binnen te gaan is een overvloediger gerechtigheid nodig.
Iemand vraagt op dit punt of het wel juist is om over gerechtigheid van de Farizeeën te spreken. In de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar gaat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis en de Farizeeër niet. Hij houdt dus niets over! We moeten echter wel onderscheiden tussen de rechtvaardigheid van de mens en de rechtvaardiging door God. De Farizeeër in de gelijkenis had `gerechtigheid’. Maar omdat hij er prat op ging en zichzelf verhoogde, werd die gerechtigheid waardeloos en ging hij ongerechtvaardigd naar huis. Ook in Mt.5,20 is duidelijk dat de gerechtigheid van de Farizeeën die Jezus in hun hoogmoed verwerpen onvoldoende is om het hemelrijk binnen te gaan.
Een andere vraagsteller haalt hierbij Romeinen 10,3 aan. Hij schrijft: `In het begin van Romeinen 10 zegt de ex-Farizeeër Paulus ook over de Joden dat zij de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand willen brengen. Toch Rooms?’ Wanneer we de Roomsen hier even buiten laten, moeten we wel vaststellen dat Paulus in Romeinen 10,2 van zijn volksgenoten getuigt `dat zij een ijver voor God hebben’! Wat missen zij dan? Zij `kennen de gerechtigheid van God niet’. Dit is de gerechtigheid van God die openbaar wordt in het evangelie, in Christus (Rom.1,17). Voor dit evangelie sluiten zij zich af. Ze proberen op zichzelf te blijven zonder afhankelijk te worden van Jezus Christus. Maar deze `eigen gerechtigheid’ wordt dan een gebrek aan onderwerping aan de nu geopenbaarde gerechtigheid van God. Paulus spreekt hier gedateerd. Na Pinksteren worden Joden die zich als Abrahams kinderen zonder Christus willen redden, schuldig aan miskenning van de God voor wie zij zo’n ijver hebben!
3. Hadden de Farizeeën dan soms een verkeerde messiasverwachting? Was het daaraan misschien te wijten dat zij Jezus niet konden aanvaarden als de Messias? En was die verkeerde messiasverwachting verwijtbaar? Vanuit het Oude Testament kon men een vaste verwachting hebben van Gods toekomst. Men kon zeker weten dat Hij een verlosser zou sturen. Maar wanneer je alleen het Oude Testament hebt, blijft het nog wel wat vaag hoe dat precies zou zijn (verg. 1 Petrus 1,10-12). Wel mocht vanuit Jesaja 9 en 11 duidelijk zijn dat de verwachtingen niet gemakkelijk te hoog gespannen konden zijn. God zelf zou komen verlossen! Johannes de Doper predikt dan ook dat hij voor de HERE zelf uitgaat. Op dat moment vallen de Joden deze profeet niet aan met kritiek op zijn hoge verwachting. Het verzet begint wanneer blijkt dat Hij die na Johannes komt niet meer lijkt te zijn dan de zoon van Jozef en Maria. Zijn goddelijke daden spreken wel een andere taal. Maar dan komt de vraag aan de orde of mensen bereid zijn te aanvaarden dat de HERE God hen komt bezoeken in de nederige gestalte van een Dienstknecht. Dat strekt jezelf niet tot eer. Het vraagt nederigheid en ootmoed om te erkennen dat zó de liefde van God openbaar moet worden. En hier komen we weer uit op het punt waar de houding van het hart beslissend blijkt te zijn. Reeds Simeon had aangekondigd dat door Jezus de overleggingen uit vele harten openbaar zouden worden (Lc.2,34-35). Ook Jezus wijst de Farizeeën erop dat van binnen uit, uit het hart van de mensen, de kwade overwegingen komen (Mc.7,21-23). We moeten de `fout’ van de Farizeeën dus niet zoeken in hun hoofd (verkeerde leer, verkeerde messiasverwachting of dergelijke), maar in hun hart. Hun houding tegenover Jezus maakt duidelijk hoe hun hart eigenlijk gesteld is op de eer van de mensen: Jezus verwijt hen dat meer dan eens. En de apostel Paulus weet later heel goed dat het `roemen’ de grootste zonde is waarover men kan struikelen. Het feit dat zij Abrahams zonen zijn zien ze niet als een opdracht om nu te geloven in Hem die er eerder was dan Abraham, maar als een voorrecht en een alibi voor God op grond waarvan zij Jezus kunnen missen en afwijzen.
4. Afsluitend: wij denken als Bijbellezers vaak dat wij de Farizeeën al kennen en gemakkelijk begrijpen wat er verkeerd aan hen was. Maar ons beeld klopt op veel punten niet. We verwaarlozen al te vaak het bijzondere van het moment dat de Zon opging in de duisternis en van die duisternis vroeg zich open te stellen voor dit Licht. Het zou ons iets moeten zeggen dat in de evangeliën meer dan eens staat dat Jezus zich verwijtend tot de Farizeeën richt `omdat Hij de overleggingen van hun hart doorzag’ (Mt.9,4; Lc.5,22; 6,8; 9,47). Alleen Hij die de harten doorgrondt, weet ook waarom zulke vrome Farizeeën toch de laatsten werden om in te gaan. Eén vragensteller schreef daarover: `Als ik mezelf zou verplaatsen naar de tijd dat de Here Jezus op aarde leefde, zou ik ook moeite kunnen hebben met wie Hij was en wat Hij deed. Misschien ben ik meer farizeeër dan ik wil toegeven.’
Zie voor de bespreking van enkele teksten (Mt.11,28-30; 15,3; 23,2-3) de afdeling Vragenrubriek bij de Bijbelstudie over Saulus.
