08.1 Het apostelbesluit en het opgeven van kerkelijke identiteit

Vraag:
U sprak over de ruimhartigheid van de kerk te Jeruzalem in hoe er werd gereageerd op en omgegaan met de grote veranderingen in de kerk en het kerk-zijn in de nieuwtestamentische opening naar de heidenvolkeren. Dit betekende een breuk met de kerkelijke praktijk die eeuwenlang had gegolden. Deze ruimhartigheid mag worden gezien als het werk van de H. Geest. Ook bij ons blijkt dat het moeilijk is om een goede afweging te maken tussen waardevolle tradities en nieuwe ontwikkelingen. Dit kan onzeker maken en leiden tot behoudzucht. Nu staan wij niet, zoals de kerk toen, op het kruispunt van de opening van een nieuw Testament. Maar toch: zou die ruimhartigheid ons ook iets kunnen leren ?


ANTWOORD

In de inleidende brochure bij deze website (Met de bijbel in goed gezelschap) heb ik gewezen op het gevaar dat je de bijbel zou lezen vanuit je eigen tijd en ook op het gevaar dat je in de bijbel zou gaan shoppen of zakkenrollen.

In verband met Handelingen 15 vinden we een opvallend voorbeeld van eigentijdse toepassing in een artikel in het Nederlands Dagblad van 24 september 2013. Met het oog op de toen naderende nationale `synode’ van Dordrecht 2013 riep de schrijver de kerken op om `hun eigen identiteit op te geven, zoals in de eerste gemeente’. Hij wijst dan onder andere op Handelingen 15. Terecht merkt hij op dat wij ons nauwelijks kunnen voorstellen wat het betekend heeft voor de Joodse christenen, dat zij de besnijdenis niet bindend verklaarden voor de broeders uit de heidenen. Terecht merkt hij ook op dat het voor de nieuwe christenen veel betekende, dat zij hun `vitaliteitscultuur’ moesten opgeven. De schrijver concludeert dan: `Joden en heidenen geven beiden op wat hun diepste identiteit bepaalde: besneden zijn en levenskracht’. Direct daarop volgt de toepassing voor vandaag: `Dat wordt van christenen gevraagd voor de eenheid van de kerk. Ze geven zichzelf op. Ze doen dat voor de eenheid van de kerk’. Vervolgens roept de auteur de christenen op om te formuleren wat `het veilige huis’ is waarin we wonen en of we dat willen opgeven. Op deze manier vinden we in dit artikel een duidelijk voorbeeld van actueel gebruik van Handelingen 15. Een illustratie bij de vraag die werd gesteld: `Zou de ruimhartigheid van Handelingen 15 ook ons iets kunnen leren?’. Daarover nu een aantal opmerkingen.

1. Wanneer de besnijdenis al de identiteit van de Joden genoemd zou mogen worden, geven de Joodse christenen die `identiteit’ in het geheel niet op wanneer zij de heidenchristenen niet tot die besnijdenis verplichten. Integendeel: zij zelf bleven hun kinderen besnijden. Het apostelbesluit gaat helemaal niet over de besnijdenis van de Joodse kindertjes. Er wordt niets opgegeven!

2. De besnijdenis kunnen we trouwens moeilijk een opgeefbare identiteit voor de Joden noemen: het was een gebod van de HERE, waarvan ze leerden inzien dat het niet gold voor heidenen die in Christus gaan geloven. Voor jezelf een uitdrukkelijk gebod van de HERE volgen, kun je moeilijk benoemen als opgeefbare kerkelijke identiteit.

3. Even aangenomen dat je Handelingen 15,20 kunt samenvatten in het woord `vitaliteitscultuur’, dan is zo’n `vitaliteitscultuur’ afgoderij. Geen heidense identiteit, maar heidense ongehoorzaamheid. Heidenen moesten niet bereid zijn om `iets in te leveren ter wille van eenheid met de Joodse broeders’ maar ze moesten ter wille van de HERE God leren breken met hun ongehoorzaamheid en hun loochening van de Schepper.

4. Wat er gebeurt in Handelingen 15 is uniek na Pinksteren en bepalend voor de verdere kerkgeschiedenis. Het is van totaal andere aard dan wat mensen bij het naderen van een `synode’ van Dordrecht anno Domini 2013 bedoelen met `opgeven van je kerkelijke identiteit’.

5. En om nu nog iets te zeggen van de term `kerkelijke identiteit’ in het algemeen: dat lijkt me een gevaarlijke mengterm. Enerzijds kun je het betrekken op het belijden en de geestelijke kracht van een gemeente waardoor ze staat als een boom geplant aan een waterstroom, anderzijds kun je het ook betrekken op historische eigenaardigheden die elke gemeenschap op den duur krijgt, als mos om de stam. Beide hebben functie, maar een totaal verschillende.

6. Tenslotte: wanneer gezinnen in een flatgebouw elkaar niet kunnen waarderen en niet goed met elkaar of met hun woning zouden omgaan, is het slopen van de binnenmuren niet echt een oplossing.

Afdrukken