02.1 Johannes, Jezus en Elia

 

VRAGEN DIE ZICH OPDRINGEN

Wie de teksten uit het Nieuwe Testament met elkaar vergelijkt, komt als vanzelf tot vragen rond Johannes, Jezus en Elia.

Vragen:
Over Elia. Johannes zegt op vragen over wie hij is: nee, ik ben ook niet Elia. Toch zal ook hij op de hoogte zijn geweest van de voorzegging van Maleachi. Een prachtige gelegenheid om aan te geven dat hij die beloofde Elia is. Johannes is natuurlijk bescheiden, maar het zou toch een heel sterk punt zijn geweest! Waarom zou hij dit niet hebben aangegrepen?

Wat bedoelt Johannes de Doper, als hij in Johannes 1:31 zegt: "Zelf wist ik niet van Hem..." ?

Jezus en hij waren (achter)neven. Volgens Lucas 1:41 en 44 herkende hij Hem bij wijze van spreken al in de baarmoeder. De bijzondere geboortegeschiedenis van beiden zal toch in de betrokken familie bekend geweest zijn. Hoe kan Johannes dat dan zeggen?

Het is toch wel heel opvallend dat Maria, aangespoord door Gabriel, een hele reis naar Elisabeth onderneemt, met spoed zelfs, dat het weerzien van beide vrouwen een heftige reactie bij de nog ongeboren Johannes teweegbrengt, dat Maria daar een lied zingt dat tot een van de mooiste liederen in de Bijbel mag worden gerekend ( en dat E. toch gekend moet hebben en doorgegeven aan Johannes), dat Maria zelfs drie maanden bij Elisabeth, (haar tante ?) blijft, maar dat de beide neven (?) ( achter-neven ?) elkaar lijken te ontlopen, behalve dan dat Jezus zich onderwerpt aan de boetedoop in de Jordaan.

Nu begrijp ik ook wel dat een Evangeliebeschrijving geen familiekroniek is, maar je leest nergens dat ze elkaar hebben opgezocht om eens met elkaar te overleggen, af te stemmen o.i.d. Is dat, ook binnen de toenmalige verhoudingen, zowel familiaal als w.b. de relatie Heraut – Messias niet wat vreemd ? En zo ja / nee, is daar ook een verklaring voor bedacht, en welke is dat ?

 

OVER JOHANNES, JEZUS EN ELIA

Wij mogen er van uitgaan dat Johannes de Doper van zijn ouders heeft gehoord over de verschijningen van de engel Gabriël aan Zacharias en later aan Maria (die daarover verteld zal hebben aan Elisabet). We mogen ook aannemen dat Johannes op de hoogte was van de dingen die Maria en Elisabet uitwisselden bij hun ontmoeting en van het feit dat hij toen reeds als kind in de moederschoot opsprong van vreugde over de Messias die door Maria werd gedragen. Hij moet ook wel geweten hebben van de profetie van zijn vader Zacharias. En ook al is hij later woonachtig in de woestijn, hij was toch van veel dingen al op de hoogte!

In het licht van deze vooronderstelling, zijn sommige dingen wat moeilijk te begrijpen.

Kende Johannes nu de Here Jezus al wel of nog niet?
Was Johannes nu wel of niet de Elia die zou komen?

 

1. Kende Johannes nu de Here Jezus al wel of nog niet?

Hoe kan het dat Jezus en Johannes –zo het lijkt – geen contact hadden voordat Jezus gedoopt werd door Johannes? En hoe kan het dat Johannes dan zegt `ik wist niet wie Hij was’ (Joh.1,31)?

Misschien kunnen we die vragen niet zo makkelijk beantwoorden omdat we nauwelijks iets weten over de omstreeks 30 jaren tussen de geboorte van Johannes/Jezus en de doop in de Jordaan. Maar in ieder geval kunnen we er toch wel iets van zeggen.

Johannes was aangewezen om als profeet voor de messias Jezus uit te gaan. Dat wist hij. Maar wanneer moest dat? Waar was het signaal? De eerste 30 jaar lijkt het eigenlijk alsof er stilte heerst na de verschijningen van Gabriël en de gebeurtenissen rond de geboorten. En dertig jaar is heel lang! Het doet er eigenlijk weinig toe of Johannes en Jezus elkaar in die jaren vaak of soms of helemaal niet hebben ontmoet. Beiden droegen hun roeping wel bij zich, maar beiden waren in afwachting. Johannes in afzondering, Jezus aan het werk als timmerman.

En dan komt opeens het Signaal: `God richtte zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias’ (Lucas 3,2). En vanaf dat moment komt de Beweging. Johannes gaat prediken en dopen. Ook Jezus weet zich nu geroepen om naar de doop te gaan. En bij zijn doop daalt de Geest neer die Hem naar de woestijn leidt. En vanaf dat moment gaat er opeens heel veel gebeuren: een evangelieverhaal van Marcus lang. Johannes de Doper blijkt ook niet onwetend. Hij zegt: `Ik kwam met water dopen, opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden’ (Johannes 1,31). En als Jezus komt, weet Johannes dat deze zijn meerdere is. Daarom weigert hij ook eerst om Hem te dopen. Johannes had voorkennis! Hij wist ook dat Jezus (iets jonger dan hij) toch meer is omdat Hij éérder was (Johannes 1,30): dit is de voorkennis die hij dankt aan de bekendheid met de boodschappen van Gabriël.

Wanneer Johannes dan zegt `ik kende Hem niet’ (Johannes 1,31) betekent dit niet dat hij niets wist van Jezus en van het buitengewone van Maria’s kind. In samenhang met wat hij verder zegt, betekent het dat hij Jezus niet aanwijst als Lam van God op grond van zijn eigen kennis van Jezus, maar op grond van het getuigenis van de Geest bij zijn doop (lees Johannes 1,29-34 als geheel). Johannes zegt: `Hij is het Lam van God’. De mensen zouden kunnen zeggen: `waar ken je Hem van?’ En het antwoord is dan: `IK ken hem daar niet van, maar GOD heeft het getuigd en aangekondigd’.

Het gaat in deze krasse uitspraak dus niet over de menselijke bekendheid tussen Johannes en Jezus, maar over de Signalen die God heeft laten uitgaan over Jezus. Johannes treedt niet op als familielid of als oude bekende. Hij treedt op als een door God gezonden profeet en voorloper. Zijn getuigenis berust niet op menselijke bekendheid, maar op goddelijke daden.
 

2. Was Johannes nu wel of niet Elia die zou komen?

Hoe kan het dat Johannes ontkent Elia te zijn (Johannes 1,21). Hij wist toch wel dat de engel Gabriël tot zijn vader had gezegd dat zijn zoon `voor God zou uitgaan met de geest en de kracht van Elia’ (Lucas 1,17)?! En bovendien zegt Jezus later ook: Hij is Elia (Matteüs 1,14; 17,12)!
a. De engel Gabriël herinnert aan de profetie van Maleachi 4,5-6 (NBV 3,23-24) over de zending van de profeet Elia die ouders en kinderen zal verzoenen voordat de dag van de HERE aanbreekt.
b. Op grond van deze profetie was er in Israël een Elia-verwachting (Matteüs 17,10).
c. Minder duidelijk is uit de profetie of bedoeld is dat Elia als persoon uit de hemel zal worden gestuurd (zoals gebeurt op de berg van de verheerlijking, Matteüs 17,3) of dat er een profeet zal opstaan die een `tweede Elia’ zal zijn wat zijn werk betreft.
d. Gabriël spreekt niet over een terugkeer van Elia maar over Johannes die zal uitgaan met de kracht en de geest van Elia. Johannes zal `een tweede Elia’ zijn. Op deze manier zal de profetie van Maleachi in vervulling gaan.
e. Johannes ontkent dus terecht dat hij Elia in persoon zou zijn. Hij laat het daar ook bij omdat hij nadrukkelijk geen aandacht vraagt voor zichzelf, maar voor degene die na hem komt. Uit wat hij verder zegt (`ik ben de stem die roept’) kan een welwillende luisteraar zélf wel begrijpen dat Johannes dan wel eens de vervulling kon zijn van de profetie van Maleachi. Weliswaar niet Elia, maar toch wel de komende `Elia’.
f. Wanneer Jezus later verklaart dat Johannes werkelijk `Elia’ is, bedoelt Jezus niet dat hij een teruggekeerde Elia zou zijn (dan zou de Elia op de berg van de verheerlijking dezelfde zijn als de reeds vermoorde Johannes de Doper). Jezus heeft (de eerste) Elia ontmoet op de berg van de verheerlijking en kort daarna zegt Hij dat Johannes de Elia is die beloofd was en die men verwacht. Hij is `een tweede Elia’. In Johannes wordt Maleachi vervuld. `Wanneer men het wil aannemen, is hij die Elia die zou komen’ (Matteüs 11,14).

Afdrukken