b/ Waarover preken wij in Paramaribo en Amsterdam? Een lezing over de manier waarop het hele evangelie in de prediking kan doorklinken

Deze bijdrage is als EST-brochure uitgegeven in Paramaribo en diende als lezing voor evangelisten en voorgangers in Suriname. In de bijlage 05.1 over Sinaïwet en Bergrede werd naar deze brochure verwezen. In deze lezing wordt gepleit voor een prediking rond het apostolicum, de tien geboden en het Onze Vader, zowel in de moderne stad (Amsterdam) als in een tweede wereldland (Paramaribo). Wie zich wil beperken tot dit onderdeel, kan rechtstreeks gaan naar Preken om te leren geloven, leven, bidden.

*

Preken laten de Stem horen van de Herder
Preken moeten ergens over gaan en ergens naar toe brengen (op weg naar zijn Stal!)
Preken moeten worden voorbereid (herders moeten veel luisteren voor ze kunnen spreken)
Preken doe je samen (herders en onderherders tegenover huurlingen)
Preken op de maat van Gods openbaring (voedsel en richting)
Preken voor Paramaribo en Amsterdam (de weidegronden)
Preken om te leren geloven, leven, bidden (de Herder volgen)

 

Preken laten de Stem horen van de Herder

Zondag is het de eerste dag van de week.

Een dag van praise and prayer. Looft de HEER in zijn heiligdom, looft Hem in zijn wereld alom. De zondag is er om God de Almachtige samen te prijzen van Paramaribo tot Amsterdam.

Om de gemeente te leren prijzen en bidden, moet er ook gepreekt worden. Want hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben!

De Herder leidt de schapen met zijn woord en zij volgen zijn stem.

Preken verklanken die stem in deze tijd. Zij zijn de echo van de Goede Herder.

Predikers zijn onderherders en zij moeten de Stem doen horen.

Gelukkig de mensen die stem mogen geven aan de zoekende liefde van Gods evangelie!

Zondag mogen we weer preken! Halleluja!

 

Preken moeten ergens over gaan en ergens naar toe brengen (op weg naar zijn Stal!)

En waarover gaan we dan preken?

Misschien vindt u dat geen goede vraag.

We preken toch niet over iets, maar we prediken Iemand!

Voor sommigen is het dan ook helemaal geen vraag waarover zij zullen preken: zij prediken alleen maar Christus en Hij is elke zondag toch Dezelfde?

Dat is ook zo. Wij prediken Christus en die gekruisigd. Niemand anders en op geen andere manier.

Maar dit sluit niet uit dat wij ook veel onderwerpen hebben om over te preken. Paulus verantwoordt zich ervoor dat hij te Efeze een volledige en brede prediking heeft geboden: ,,Ik heb alles bekend gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en daarover heb ik u in het openbaar en thuis onderricht’’ (Hand.20,20). De apostel deed zijn uiterste best om de gemeente in Efeze ,,vertrouwd te maken met Gods wil’’. (Hand.20,27).

De gemeente van Jezus Christus te Rome is Hem toegewijd, maar daarbij hoort ook dat zij ,,van ganser harte de leer is gaan gehoorzamen waaraan zij zich heeft toevertrouwd’’ (Rom.6,17).

Predikers hebben een leer te brengen, een boodschap met rijke inhoud.

Dat hangt juist samen met het evangelie over een levende Koning. Bij Hem hoort een rijk met vijanden en strategie, met regering en recht, met toekomst en burgerschap.

Wanneer je houdt van je moeder, heb je ook veel onderwerpen om over te praten: ,,Hoe ze je troostte wanneer je pijn had’’ en ,,hoe ze je zocht toen je verdwaald was’’ en ,,hoe ze je leerde gehoorzamen’’ en ,,hoe lekker de broodjes pom zijn die ze maakt’’. Moeder en haar daden en haar opvoeding vallen samen.

Zo is er geen tegenstelling tussen het preken van Christus en het uitweiden over vele daden die Hij deed, vele geboden die Hij gaf en vele gebeden die Hij ons leert.

Daarom is het best een nuttige vraag: ,,Waarover preken we deze zondag?’’ Er is méér te preken dan de kern van het evangelie en er is ook meer te preken dan de toevallige actualiteit van de gemeente of de eigen inval of ervaring van deze week.

Op het feest van de Geest hoorde men in eigen taal ieder spreken over ,,Gods grote daden’’ (Hand.2,11).

Laat daarom in Amsterdam de preek niet versmallen door eenzijdige instelling op de verwende, actualiteiten-gerichte horizontale mens. En laat in Paramaribo de preek niet verschralen tot veel enthousiasme met te weinig inhoud. Laten we als predikers in Paramaribo en Amsterdam de vraag ,,waarover preken wij zondag’’ beantwoorden voor Gods aangezicht en niet in de eerste plaats voor het aangezicht van de al te moderne of al te gemakkelijke gemeente.

(Noot:)
Een willekeurige greep naar wat boekjes over de prediking, verschenen in de afgelopen decennia, maakt je bewust van het feit dat de probleemstelling bij de stof voor de prediking in Nederland vaak sterk beheerst wordt door de rijkdom en de verveling van het westerse christendom.
Steeds blijkt belangrijk hoe men de mens nog zou kunnen bereiken met de preek. Interessant zijn twee titels: ,,De Boodschap en de brug: de prediking doordacht’’ (Groen, 1999; uitgave Geref. Bond) en ,,De Boodschap en de kloof: communicatie van het Evangelie in een postmoderne tijd’’ (Evangelische Omroep 1997).
Terwijl boeken uit deze kring nog uitgaan van de Boodschap, zijn er ook diverse publikaties die meer uitgaan van de mens die bereikt moet worden. Zo verscheen van Paul Oskamp en Rudolf Geel ,,Concreet en Beeldend Preken’’ (Coutinho 1999), waarin ,,verhalend preken’’ (inclusief spiegelverhalen en anekdoten en legenden) een grote rol speelt.
De vraag naar de bereikbaarheid speelt zelfs een rol in kringen waar een groot geestelijk conservatisme nog zorgt voor continuiteit. Zie P. Buitelaar ,,Prediking en geestelijk leven: vanuit de praktijk toegelicht’’ (De Groot Goudriaan 1998).
Reeds deze paar boekjes weerspiegelen de problematiek van rechts naar links christelijk Nederland. Het verbindende is dat gevestigde kerken worstelen met het bewaren of terugwinnen van de aandacht.
Hoe weinig geschikt lijken deze boekjes voor Suriname. Ook daar is een grote zorg dat men de vele toestromende christenen niet kan vasthouden en ze ook vaak weer ziet verdwijnen. Hier is echter het probleem niet zozeer hoe men een verwend publiek vasthoudt of terugwint, maar hoe men een snel geënthousiasmeerd publiek verdieping en constantie geeft.
Toch is er ook iets verbindends: in beide landen ontbreekt geheel of in toenemende mate de structurele inhoudsopbouw van de onderwijzende kerk (ecclesia docens). Er wordt per gelegenheid of per losse tekst of per actualiteit gepreekt. Wat ontbreekt is de constantie en de programmatische benadering.
Dit roept om bezinning op de doelstelling van de prediking. Niet als eerste vraag of ze nog overkomt, maar als eerste vraag wat ze van Godswege wil en behoort te bereiken.

 

Preken moeten worden voorbereid (herders moeten veel luisteren voor ze kunnen spreken)

De vraag waarover wij deze zondag preken, stel ik aan u in de week, op vrijdagavond in dit geval.

Voor sommigen is de vraag daarom misschien te vroeg. Zal de Geest ons niet leiden wanneer het zover is? Is de spontane inval en het directe getuigenis niet het beste, en het meest levendig? Lopen we niet het gevaar dat we de Geest blussen wanneer we alteveel nadenken over de vraag waarover wij denken dat we moeten preken? Zal Hij het ons niet in de mond geven wanneer het zondag is?

Terecht mogen we inderdaad vertrouwen op de leiding en de hulp van de Geest. Een prediker die zonder de Geest, zonder geloofsvertrouwen en gebed, komt preken, zal geen kracht hebben.

Maar de belofte dat de Geest het ons op het moment zelf zal leren, is gegeven aan mensen in vervolging. Zij hebben geen tijd voor bezinning en voorbereiding. Gelukkig is dat geen probleem voor de Geest.

De Geest komt altijd onze zwakheid te hulp, maar wanneer er geen extreme vervolgingssituaties zijn stelt Hij ons wel verantwoordelijk om zoveel mogelijk ons voor te bereiden.

Daarom is het nodig dat wij ons dagelijks toeleggen op het lezen in de Schrift en de bezinning op onze roeping. Laten we ook streven naar verbetering van de opleidingsmogelijkheden of aanvullende opleidingen. Laten de gemeenten zorgen dat hun voorgangers ook studietijd kunnen vrijmaken en in rust zich kunnen voorbereiden op de zondag.

Paulus kan zich voor Efeze verantwoorden: hij zegt niet dat het allemaal gegaan is zoals het ging omdat hij zich door de Geest liet leiden, maar hij zegt dat hij zich verantwoordelijk voelde voor de zielen der gelovigen en daarom heeft hij als gelovige prediker ,,zijn uiterste best gedaan’’ (Hand.20,27). Paulus stelt dan ook de oudsten (aan wie hij de gemeente toevertrouwt) weer verantwoordelijk om te waken over de gemeente ,,waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld’’.

Wanneer we preken, zoeken we de leiding van de Geest, maar de Geest heeft ons ook verantwoordelijkheden gegeven die wij met al ons verstand en met al onze tijd moeten waarnemen.

Daarom ontkom je niet aan de vraag: ,,Wat heeft de gemeente nodig om voor Gods aangezicht te wandelen en te volharden in deze tijd?’’

Wanneer we als predikers op zondag willen rusten in de Geest, zullen we eerst zes dagen moeten arbeiden en God met zijn gemeente liefhebben met hart en verstand, met ziel en energie.

 

Preken doe je samen (herders en onderherders tegenover huurlingen)

Nu is mijn vraag: ,,Waarover preken WIJ?’’

En dat meen ik.

Straks wordt het zondag.

Preek ik dan of jij?

Wij preken samen.

Herders die aan de kudde zijn gegeven moeten vanwege de zorg voor die ene kudde van de Herder ook onderling samenwerken om de kudde te leiden.

Voor ons als predikers is dat geen sterk punt.

Al te vaak zijn de predikers de solisten van de kerk. Zij werken los van anderen en vaak werken ze ook vooral voor de bijzonderheden van hun eigen denominatie.

Toch hebben we voor Christus’ wereldkerk gedeelde verantwoordelijkheid.

Apostelen en profeten, predikanten en evangelisten moeten samen een fundament leggen en vormen. Verbonden met elkaar en met het verleden van de apostelen en met de toekomst van de nieuwe generaties predikers.

Paulus schreef reeds Pastorale brieven om anderen in te schakelen en om samen ,,het toevertrouwde pand te bewaren’’.

Het is goed om te luisteren naar vroegeren door hun boeken te lezen. Het is goed om als predikers van elkaar te leren. Waarom kennen predikanten zo weinig teamwork in de gemeenschap der heiligen. Te denken is aan het gezamenlijk ontwikkelen van een goed preekplan en preekschetsen [Postilles], aan de opbouw van een gezamenlijke basisbibliotheek wanneer boeken schaars zijn.

Samen met alle heiligen geldt ook voor ons als predikers!

(Noot:)
In Paramaribo is er het probleem van de geringe mogelijkheden voor theologische vorming en bibliotheekvorming. In Amsterdam is er het probleem van de loslating van de band prediker-gemeente (veel wisselende predikers waardoor de eigen predikant niet meer het geheel van de prediking controleert en bewaakt, geen verband van planning en opbouw meer).

 

Preken op de maat van Gods openbaring (voedsel en richting)

De vraag waarover wij deze zondag preken, mist eigenlijk een element.

Tot wie zullen we zondag preken?

Soms voor een overwegend onchristelijke publiek, soms voor een reeds lang gevestigde gemeente.

Dat maakt verschil.

Maar altijd hebben we hetzelfde Woord, hetzelfde evangelie.

Soms moeten we de plakken van het brood dik snijden, soms dun, maar het moet wel altijd brood zijn. Brood uit de hemel.

En dan komen we uit bij de Schriften.

Alle preken moeten staan op dat fundament.

De woorden Gods tot de aartsvaders en op het laatst van de tijden in de Zoon zijn ook ons voedsel voor eeuwig.

Maar we moeten wel bedenken dat de bijbel een geweldige bibliotheek is met heel uiteenlopende stemmen en geschriften.

Wanneer je naar zieken gaat, kun je niet zomaar wat van de plank in de apotheek pakken: je moet het goede medicijn kiezen van de plank.

Zo moeten we als predikers leren om de Schriften te doseren en toe te passen.

Dat vraagt veel bijbelkennis en veel geestelijke kennis van de gemeente en van onze tijd.

Dat zal ons ervoor bewaren zomaar een tekst te plukken, op de klank af. We zullen moeten letten op het verband, de bedoeling, de begrenzing, de tijd waarin de tekst klonk.

Het kan ons daarbij helpen om van tijd tot tijd ook langere Schriftgedeelten te preken in een serie, zodat we ons door de tekst laten verplichten om te preken en niet door onze invallen.

Laten we er altijd op verdacht zijn de losse passages te preken in samenhang met het geheel van de Schrift en met Jezus Christus die het middelpunt is van Gods openbaring.

We mogen zondag preken: geen klanken, maar een boodschap!

En we mogen deze zondag preken: het is niet een willekeurige zondag, maar een dag in het kerkelijk jaar en een zondag die we met elkaar eigen plaats en betekenis mogen geven.

(Noot:)
Zie John R.W. Stott (I believe in Preaching. London 1982, chapter six) over de preekstofvinding.
Zowel in Amsterdam als in de situatie van Paramaribo zou een leesrooster voor preken goed zijn: daarmee voorkomen we overbelasting van de prediker en herkenbaarheid voor de luisteraars die ook niet altijd aanwezig kunnen zijn (mobiele samenleving).
Verder helpt ons de prediking op het kerkelijk jaar, maar wanneer de predikanten vaak ruilen is het nodig om goed overleg te hebben over het preekrooster en daaraan ontbreekt nogal veel.

 

Preken voor Paramaribo en Amsterdam (de weidegronden)

Wanneer we preken in Paramaribo en Amsterdam, preken we altijd in de stroom van een reeds bestaande preektraditie.

In Amsterdam en Nederland is een traditie ontstaan van geleerde en uitgewerkte preken. Deze witte preken werden ook gehouden in Suriname. Op zichzelf is dat niet zo erg, want men richtte zich in de praktijk toch tot de Nederlanders. Wel beschamend en schuldig is het dat men nauwelijks initiatieven ontwikkelde om ook te preken tot de inheemse bevolking en tot de zo ruw hierheen gebrachte en mishandelde slavenbevolking.

Daarvoor was het wachten op de Hernhutters, maar bij hen had de catechese een grotere plaats dan de prediking. En vanwege het pietistisch karakter had deze prediking te weinig boodschap voor de praktijk van Suriname, politiek en maatschappelijk.

Daarna is de invloed van evangelische stromingen uit de Verenigde Staten sterker geworden en deze stroming sluit redelijk aan bij de pietistische lijn van de broedergemeente, zij het dat de accenten en de liederen en de toon minder Duits en meer Amerikaans worden.

In Amsterdam is de invloed van de Herrnhutters geringer geweest, maar de invloed van de Amerikaanse evangelicale beweging is er groot.

Wanneer breekt de tijd aan dat in Paramaribo een eigen preektraditie ontstaat die past bij land en volk?

Is ,,black preaching’’ het antwoord? Ik denk het niet, want het evangelie is noch wit noch zwart. En de vraag is niet wat cultureel past, maar wat wij nodig hebben van Godswege. De manier waarop wij dat doorgeven kan gekleurd worden door de gewoonten en de cultuur van Paramaribo en Amsterdam, maar uiteindelijk is het de bedoeling dat er black christians en white christians komen die allemaal steunen op dezelfde Goede Herder: in Hem is Oost noch West, Noord noch Zuid. Op reis naar het nieuw Jeruzalem waar alle volken en stammen eindelijk verenigd worden, moeten we al leren om te leven en te preken vanuit één burgerschap in de hemelen.

Veel belangrijker is de vraag waarover wij zullen preken in de situatie van deze steden Amsterdam en Paramaribo.

Wat heeft het onrustige Suriname nodig en wat het verwende Amsterdam. Preken in Paramaribo met veel armoede en met een onzekere politieke omgeving zal toch anders gericht zijn dan in de Bijlmer met veel materialisme en individualisme.

(Noot:)
Over de geschiedenis van de prediking in Suriname is weinig te vinden. J.W.C. Ort ,,Vestiging van de Hervormde Kerk in Suriname 1667-1800’’ (gestencilde uitgave) schrijft op p. 302: ,,Over de inhoud van de prediking vinden wij geen berichten.’’ En: ,,Het enige uit een leerrede bewaarde stukje is een zin uit een preek van ds. Grob.’’ Interessant is dat er catechismusprediking was, maar dat deze nogal eens verdween om praktische redenen (de wisselbeurten van de Nederlandse en de Franse dominee; te heet voor de middagdienst die pas bij het opkomen van straatverlichting wel in de avond werd gehouden). Kortom: wel samenhang door catechismus-prediking maar in praktijk werd dit niet goed onderhouden en vaak onderbroken.        In zijn dissertatie ,,Secularisatie en zending in Suriname: over het secularisatieproces in verband met het zendingswerk van de Evangelische Broedergemeente in Suriname’’ (diss. Kampen 1973; uitgegeven Veenman, Wageningen) oordeelt J. van Raalte (was 5,5 jaar legerpredikant in Suriname) dat de EBG onbewust en onbedoeld een bijdrage hebben geleverd aan de secularisatie van Suriname (religioneutrale samenleving) door de scheiding lichaam-ziel en de richting van de prediking op de zang in het hiernamaals. Stelling 6 luidt: ,,Het Piëtisme heeft een belangrijke bijdrage gegeven aan de stimulering van het secularisatieproces’’. Zie ook p. 124-125:

,,De houding van de zending tussen slavernij en vrijheid was ambivalent: met een beroep op het sacrosancte karakter van de bestaande verhoudingen verklaarden zij zich incompetent om te streven naar de bevrijding van de slaven; en met een beroep op het seculair en historisch karakter daarvan eisten zij van de slaven zich in hun toestand te schikken in de zekerheid dat de vrijheid in het koninkrijk van God zeker zou komen, terwijl zij in deze wereld in toenemende mate tot de realiseerbare mogelijkheden behoorde. Op deze wijze hebben de zendelingen het secularisatieproces in Suriname door hun houding ten opzichte van de emancipatie in één adem en met één gebaar tegelijkertijd bevorderd en tegengehouden, waarbij het eerste uiteindelijk van meer betekenis is geweest dan het eerste.’’

Veel uitvoeriger over de prediking in Suriname is J.M. van der Linde ,,Het visioen van Herrnhut en het apostolaat der Moravische Broeders in Suriname, 1735-1863’’. Diss. Utrecht 1956. Uitgave Kersten, Paramaribo 1956.

 

Preken om te leren geloven, leven, bidden (de Herder volgen) 

Waarover preken wij deze zondag in Paramaribo en Amsterdam?

In ieder geval over geloof, liefde en hoop.

Maar hoe krijgt dit gestalte en structuur?

Die vraag is belangrijk nu zowel in Nederland als in Suriname er vaak weinig gedaan wordt aan programma’s voor preken.

Actueel is de vraag ook omdat we nog steeds te maken hebben met een gemeente die (evenals wijzelf) vatbaar is voor ongeloof in allerlei vormen, voor liefdeloosheid op vele manieren en voor ongeestelijkheid.

In de Middeleeuwen is meer dan eens door kerkelijke vergaderingen opgeroepen om aan het volk weer te preken de Tien Geboden, de Twaalf Artikelen van het geloof en het Onze Vader.

Door dit advies leerde men de predikers om vorm te geven aan het geloof door de volledige inhoud daarvan regelmatig te preken aan de hand van de apostolische geloofsbelijdenis, en om vorm te geven aan de liefde door de tien   geboden uit te leggen die altijd neerkomen op liefde voor God en de naaste, en door de gemeente zorgvuldig te leren bidden om de hoop geestelijk te voeden.

Het is aan deze adviezen te danken dat de reformatorische leerboeken voor de jongeren vaak ook neerkomen op een bespreking van Geloof, Gebod, Gebed.

Deze thematische behandeling van geloofsleer, gebod, gebed geeft lijn, kader, breedte en samenwerking.

Door het gebod van de liefde uit te leggen aan de hand van de 10 geboden komen we ook uit bij de kerstening van het leven en zo krijgen we ook maatschappelijk een woord voor de wereld, ook voor presidenten en rechters. We blijven niet steken in de oproep om elkaar lief te hebben, maar we leren de wijsheid en de veelzijdigheid en de tucht van de liefde in allerlei verhoudingen: tot de éne God die zonder beelden en bijgeloof en met eerbied vertrouwd wil worden en tot onze naasten die onze ouders, vrienden, overheden, buren, echtgenoten, kinderen zijn. Het liefdesgebod wordt concreet, krijgt handen en voeten en de kerstening van het leven wordt bevorderd onder de leiding van de Geest die ons zelf de tien geboden heeft geschonken.

Door het gebed te leren aan de hand van het Onze Vader komen we tot verinnerlijking (aansluitend bij traditie van de Hernhutters). We leren de gemeente om allereerst te bidden om alles wat God ons beloofde: zijn rijk, zijn wil. Het gebed wordt opgetrokken tot de goede hoogte. En we leren de gemeente ook om niet alleen het brood te vragen maar ook vergeving en om niet hoogmoedig te leven, maar schuilend bij de Vader vanwege de macht van de Boze.

De tien geboden en het Onze Vader zijn bijbelse teksten. Dat geldt niet van het derde dat ik noemde: de 12 artikelen of de apostolische geloofsbelijdenis. In veel kerken worden deze altijd of vaak voorgelezen in de eredienst, maar er zijn tegenwoordig ook vele geloofsgemeenschappen waar dat niet gebeurt. Daardoor zijn de 12 artikelen misschien in Paramaribo niet zo bekend en dreigen ze in Amsterdam onbekend te worden. Mensen zijn vaak ook wat benauwd voor vaste formuleringen van het geloof. In Paramaribo omdat de evangelische beweging bang is voor belijdenissen naast de bijbel als Gods Woord en in Amsterdam omdat men niet wil dat een ander bepaalt wat ik wil geloven. Nu is een belijdenis ook alleen goed wanneer ze samenvat wat in de bijbel zelf staat. Zij is niet iets naast de bijbel, maar zij is alleen een kort uittreksel uit de bijbel. En zij concentreert zich op de hoofdzaken uit het boek dat zovele geschriften uit zoveel tijden omvat. Ieder mens zal een samenvatting geven wanneer men hem of haar vraagt wat hij/zij gelooft. Maar die samenvatting mogen we delen en daarin kunnen we samen beter spreken dan ieder voor zich. Luisteren naar de bijbel doe je samen en naspreken van de bijbel doe je ook samen. Zo is de oudste en algemeen aanvaarde belijdenis van het geloof het apostolicum. Het spreekt niet alleen over Jezus of de Geest, maar ook over de Vader en de schepping. Het spreekt niet alleen over Jezus’ sterven maar ook over zijn wederkomst. Wie zalig wil worden zal moeten geloven wat ik nu voorlees: de apostolische geloofsbelijdenis:

1 Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
2 En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
3 die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
4 die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel;
5 op de derde dag opgestaan uit de doden;
6 opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
7 vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
8 Ik geloof in de Heilige Geest.
9 Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
10 vergeving van de zonden;
11 opstanding van het vlees;
12 en een eeuwig leven.

Ik vertrouw dat wij dit belijden allen beamen. Maar is het dan ook niet zinvol de gemeente dit belijden in te prenten? En om het uit te leggen in de prediking? Door het geloof uit te leggen aan de hand van de 12 artikelen blijven we het accent leggen op wat alle christenen behoort te verbinden en niet op de eigen specifieke dingen van de eigen denominatie (Israel; tongentaal; duizendjarig rijk; kerkverband; gebedsgenezing enz.).

Kortom: ik pleit ervoor dat wij ter wille van de brede opbouw van het geestelijk leven van de gemeente en ter wille van de eenheid der christenen veel aandacht geven aan de prediking van de 12 artikelen, de wet en het gebed. Wanneer wij die preken doordrenken met voorbeelden uit de Schrift, zullen we de gemeente de volle raad Gods verkondigen en als predikers ons geweten zuiver houden. We helpen onszelf om vrij te komen van het preken vanuit toevallige invallen of de smaak van de gemeenteleden. We hebben een kader waarover we afspraken met elkaar kunnen maken ter wille van goede jaarroosters die we delen met elkaar. Zo besteden we als goede huisknechten van Christus goede zorg aan de vraag ,,Waarover preken wij deze zondag in Paramaribo en Amsterdam?’’

(Noot:)
Zie H.A.J. Wegman ,,Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten: Een wegwijzer’’ (Gooi en Sticht bv – Hilversum 1976) die op p. 236 het volgende schrijft:

,,Sinds de 9e eeuw zijn er in de westerse Kerk pogingen ondernomen om de kennis van het geloof te doen toenemen en aldus een dam op te werpen tegen al te krasse vormen van bijgeloof en devotionele praktijken. Steeds zijn er schrijvers geweest, die het volkse geloof onder kritiek hebben gesteld en de predikanten hebben verweten dit geloof niet voldoende te hebben onderbouwd (men denke aan Thomas van Aquino).
Door synoden wordt de clerus opgedragen te preken over de inhoud van de geloofsbelijdenis en het Onze Vader (de geloofsleer) en over de tien geboden (de ethiek).’’Over de Reformatie schrijft Wegman dat de preek het centrum wordt van de eredienst. Hij schrijft op p. 237:

,,De oude traditionele leescycli verdwijnen, omdat men in vrijheid kiest wat zal worden gelezen: liefst bepaalde boeken continu, van dag tot dag.’’

,,Het Woord Gods is in ere hersteld, maar het vleesgeworden Woord heeft niet alleen woorden gebruikt! Helaas is men dat vergeten. De preekstoel werd op den duur katheder.’’

 

Ik vat het gezegde nu samen.

Gelukkig dat we zondag weer mogen preken.

Laten we het doen in verbondenheid mét en in verantwoordelijkheid vóór de hele kerk en niet alleen onze eigen gemeente.

Laten we de handen ineenslaan om door samenwerking en overleg leiding te geven aan de geloofsontwikkeling van de christenheid in Paramaribo, in Amsterdam en waar we ook geroepen zijn.

Laten we de voorwaarden voor zo’n prediking bevorderen door opleiding en bijscholing van voorgangers te verbeteren.

Laten we minstens aansluiten bij de beproefde traditie van het preken over Geloof, Gebod, Gebed.

Daarover is veel voorbereidingsmateriaal beschikbaar.

Dat geeft samenhang aan de prediking en aan de christenen.

Dan eren we de Vader die geloofd, gehoorzaamd en gebeden wil worden.

We gedenken de Zoon die inhoud van ons geloof is, voorbeeld voor ons leven en verwachting van ons hart.

En we laten ons leiden door de Geest die ons het geloofslied leert en die ons heiligt en die ons doet bidden ,,Abba, Vader’’.

 

Afdrukken